Het gesnrek (3)
De vorige keer stelde ik jullie de vraag: ..Heb je wel eens een gesprek met andere jongelui uit de gemeente? " Je herinnert je nog wel dat ik er op aandrong om eens met elkaar te spreken en niet aan elkaar voorbij te leven. Want.... je leeft in de gemeente. Dat is geen optelsom van „zo en zoveel" mensen, maar een gemeenschap, door de Heere afgezonderd. Een gemeenschap, waarvan elk lid de opdracht heeft om „zijn gaven ter nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden." Een gemeenschap, waarvan Paulus zegt: „....want wij zijn elkanders leden." Lees maar eens wat hij ervan zegt in 1 Corinthe 12 !
Goed, zeg je misschien, maar ik kan toch niet met alle jongelui uit de gemeente kontakt zoeken? Ik kan toch ook niet met iedereen bevriend zijn? Natuurlijk, maar dat wordt ook niet van je gevraagd. In een heel kleine gemeente zou dat nog gaan, maar normaal vanzelf niet. Nee, het gaat er hier in de eerste plaats om dat we een open oog hebben voor elkaar. Dat we niet aan elkaar voorbij leven.
Ga maar eens na hoe liet meestal gaat: We hebben een vast stel vrienden of vriendinnen. Daarmee kunnen we goed opschieten. Al is er wel eens een meningsverschil, toch denk je allemaal ongeveer gelijk. Buiten deze groep(en) staan een aantal jongelui apart. Dat heeft zijn verschillende redenen: Sommigen zijn b.v. nogal stil van aard en geven zich niet gemakkelijk. Anderen zijn nogal vrolijk en luidruchtig en (ogenschijnlijk) nogal aan de losse kant. Weer anderen doen onsympathiek aan terwijl (om maar niet meer te noemen) nog een andere groep alleen staat door hun studie. Al deze jongelui vormen de buitenbeentjes. Heel vaak zie je ze niet op de vereniging. In de gesprekken zijn het meestal „de slomen", of „de ordinairen." Van anderen wordt gezegd: „O, die leven maar een eind voor het vaderland weg!" en: „Dat zijn de intellectuelen!"
Gevolg: Deze jongelui staan apart. Kijk maar eens goed om je heen. Het gebeurt overal. Altijd leven we in gevaar alleen met diegenen om te gaan en te spreken die aardig in ons straatje passen.
Iemand die op een bepaald punt wat afwijkt van de gangbare norm kan alleen blijven staan. Dit gebeurt ook onder de volwassen leden van de gemeente. Die leden die misschien niet altijd aan de gangbare tradities vasthouden, die er op sommige punten een wat „vrijer" mening op na houden, die door hun opleiding wat anders georiënteerd zijn of wat erg vrolijk van karakter zijn staan aan de rand.
Laten wij er niet aan meedoen. Ook dc jongens en de meisjes die niet in „jouw lijn" denken horen bij de gemeente. Zoek ze op. Spreek met ze. Juist een gesprek is zo belangrijk. In een gesprek kom je te weten in welke wereld die ander leeft. Dan pas kom je erachter waarom dat stille, wat stijve, meisje zo is. Dan pas merk je dat er achter heel wat bombast en lawaai een hart met vragen schuil gaat. Dan pas merk je waarom sommige jongelui op catechisatie altijd met de dominee in diskussie zijn. En tot slot: dan pas merk je hoe het komt dat sommigen in het geheel van de gemeente wat uit de toon vallen en ogenschijnlijk wat onverschillig zijn. Ik weet dat er jongens en meisjes zijn, die naar wat kontakt verlangen, die in het gezin waarin ze leven soms geen antwoord krijgen op hun vragen (wat vader en moeder lang niet altijd kwalijk te nemen is), maar die er niet toe komen om zelf de stap te wagen. Ze hebben door hun opleiding of hun werk soms heel andere gedachten gekregen over vele dingen en vragen zich af: „Denken die andere jongens en meisjes daar nou niet over na? " Hoe zouden
die het dan bekijken? Hoe kan het dat die zo enthousiast kunnen zijn voor een vereniging, of voor „hun kerk"? Neem deze vragen serieus en doe de moeite die anderen te bereiken. Zeg niet: „Ben ik mijns broeders hoeder? "
Heb je er wel eens op gelet dat de Heere Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde juist die mensen opzocht, die op een of andere manier aan de rand stonden? Wanneer engelen de boodschap van Zijn geboorte brengen, doen ze dat aan eenvoudige herders, die beschouwd werden als het uitschot van de maatschappij. Wanneer kort daarop de Heere Jezus overladen wordt met geschenken en wordt aangebeden is dat door sterrenkundigen uit het oosten, door heidenen. En wanneer Jezus later zelf door het land gaat zien we Iiem op bezoek gaan bij vrolijke bruiloftsgangers, bij een Samaritaanse vrouw, bij tollenaren en zondaren (denk maar aan Zacheüs) en zien we Hem Zich inlaten met Maria Magdalena, met een Kananese vrouw, met een overspelige vrouw en met de moordenaar aan het kruis. Deed Hij juist niet Zijn grote wonderen in Galilea, en haalde hij niet uit het verachte Galilea zijn discipelen? Iiij schreef die mensen niet af, ook al liet de gewone kerkganger uit die dagen zich met hen niet in.
Jezus zegt: „Volg Mij!" En ergens anders, door de apostel Paulus: „Dat gevoelen zij in u hetwelk ook in Christus Jezus was." Dat is de opdracht voor ons allemaal. Moeilijk hè, vind je niet? Ja, onmogelijk. Dan maar niet doen? Geen ernst maken met Jezus' vraag? Dat kan ook niet. Wat dan? Dan is er maar één uitweg: het gebed. „Heere, leer mij U volgen, waar Gij ook heengaat. Leer mij Uwe wegen. Mijn weg is de weg van: ik, ik en weer ik. Bekeer mij en wijs me de weg tot de ander. Stort Uw liefd' ook in mijn hart!" De Heere moedigt je ertoe aan door Zichzelf in Zijn woord te noemen: „Hoorder der gebeden", die zelfs het geroep der jonge raven hoort.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1966
Daniel | 16 Pagina's