JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Maatschappelijk werk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Maatschappelijk werk

6 minuten leestijd

Causerie gehouden op de bondsdag van vrouwen-en meisjesverenigingen in Gouda.

(SLOT)

In mijn gebied hebben wij vorig jaar een 80-jarige vrouw gehad, die kinds was. Zij stookte geen kachel, eten koken deed zij niet. Ze dacht het wel, maar het gebeurde niet. Wassen? Zij rook vreselijk en dan vroeg ik, of zij zich wel gewassen had. Ja hoor. Vanochtend. Ik was me altijd eens per week helemaal, en des morgens mijn gezicht en mijn armen. Maar zij was vergeten, dat zij het niet gedaan had. Dat het waarschijnlijk al een jaar geleden was, dat zij zich gewassen had. Wat moet er met zo'n vrouw gebeuren, die dus in de kou zat; die vingers had, die stuk waren van de kou. Zij wilde niemand in huis hebben, geen wijkverpleegster. Niemand mocht bij haar komen. De kachel aanmaken ging best. Dan zat zij even warm, maar dan zou je er een paar keer per dag heen moeten. Iedereen wantrouwde zij echter. De buren mochten ook niet bij haar komen.

Haar verstand was verminderd. Wat moet er dan gebeuren? Mag je dan zeggen, zij moet opgenomen worden, of mag het niet? Voor zulke ingrijpende beslissingen sta je wel eens, want die vrouw, als zij opgenomen wordt, omdat zij zich niet meer verzorgt, is niet gelukkig, want zij is niet meer thuis. Zij meent, dat zij in haar huis kan blijven.

Zij heeft iets aan haar been gekregen, moest naar het ziekenhuis en is vandaar naar een inrichting gebracht. Maar zij verlangde altijd naar huis en dat vind ik heel erg.

Nog een voorval wil ik noemen, want er zijn er zovele. De kinderbescherming bijv., dat is ook altijd heel moeilijk. Als er een probleem is met kinderen en het is werkelijk erg: Mag, nee, moet dan de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld worden? In eerste instantie wordt dit altijd met de ouders besproken, dat is natuurlijk een vereiste. Maar is het goed?

Ik wil dus eindigen met nog een geval, want een maatsch. werkster wordt eigenlijk overal voor ingeschakeld, zelfs voor het vinden van een huishoudster. In één van de dijkdorpen, waar ik gewerkt heb, woonde een bejaard echtpaar, of nee, bejaard waren zij nog niet, want de man werkte nog.

De dominé had gevraagd, of ik daar eens wilde aangaan, want die vrouw leed aan toevallen, nogal heel erg en zij kon haar huishouding niet meer doen. Kinderen waren er niet en de familie woonde allen ver weg. Ik heb dat gezin bezocht. Dat vrouwtje, als zij een toeval kreeg, was het heel naar. Dus er was werkelijk geen meisje in de omgeving, die haar wilde helpen en het was er echt vuil.

Ik kwam ook niet alleen thuis, maar ik had wat bij me, U weet wel! Ik heb gelukkig een meisje van een jaar of 35 bereid gevonden een paar ochtenden in de week te helpen. Zij zou haar helpen met de schoonmaak. Het meisje is gewapend met een bus van dat witte spul er naar toegegaan, heeft alles bepoederd, mocht de bedden buiten luchten en het vrouwtje was heel gelukkig. Het was een kort dik vrouwtje, dat soms een paar maal per dag een aanval kreeg. Haar man was erg mager, klein. Hij vond, dat zijn vrouw niets was, maar hij deed alles goed.

De hulpverlening met de schoonmaak was over. Af en toe ging ik eens kijken, of er soms nog weer hulp nodig was.

Zo ook kwam ik er een keer tegen 12 uur langs. Ik dacht: het kan nog net.

Ik ging de dijk af en hoorde daar een ruzie tot en met! Ik kwam binnen en ik zag, dat de aardappelen op stonden. Daar zorgde de vrouw voor. De man zegt tegen mij: Zij is geen mens. Van de 10 woorden, die zij zegt, moet je er geen 8 geloven en zij beweerde het zelfde van haar man. Haar man nam mij mee naar de kamer en zei: „Nu moet U eens zien, wat ik voor haar gedaan heb". Ik zag, dat zijn blik naar de kachel ging en er stond een nieuwe kachel. Ik zei, dat zijn vrouw toch voor hem maar aan het koken was en dat was toch ook goed.

Maar ik dacht onderwijl: Ik ga hier maar gauw weg en heb gezegd, dat zij toch allebei al op leeftijd waren. Ik heb hen gevraagd niet zo door te gaan. Gods Woord zegt toch, dat je elkaar lief moet hebben en niet zo het leven doorgaan.

Ik ben gelijk weggegaan. Een week later ontving ik een rouwkaart van de vrouw. Zij had een toeval gehad, een vrij ernstige, en was niet meer bijgekomen.

Een week na de begrafenis ben ik naar de man toegegaan. Ik zag n.1. de deur openstaan en ik trof hem als een zielig hoopje alleen aan. Ja, mijn vrouw is overleden en het is erg stil. Het was wel een kat en ik

kreeg toch weer te horen, dat zijn vrouw niet best was geweest. Zij waren thuis blij geweest, dat hij haar trouwde.

Zijn zuster uit Amsterdam was geweest en hij had haar gevraagd of zij een huishoudster wilde zoeken en vroeg toen aan mij, of ik, als ik iemand wist, wilde vragen of die bij hem huishoudster wilde worden. Ach, het is al een hele tijd zo, dat je haast niemand kunt vinden. Zij moest de Bijbel kennen en regelmatig naar de kerk gaan, want dat wilde hij hebben. Ik heb gezegd, dat het wel moeilijk zou gaan, maar als ik iemand wist, dan zou ik erom denken.

Hij liet mij uit, maar toen riep hij me nog terug en zei: „U moet eens luisteren. Zij moet er nooit op rekenen, dat ik met haar zal trouwen".

Ik dacht: Nee dat kan ik mij voorstellen. Maar toen kwam het, want hij zei: „Het eerste is toch maar het ware!"

Bij maatsch.werk is het wel heel belangrijk, hoe wij tegenover de mensen in al hun noden staan. Wij komen in ons werk dus heel veel ernstige moeilijkheden tegen. Ik denk aan gevangenis, ongehuwde moeders, wat vaak problemen geeft met de ouders, de drankzucht, ik noem zo maar een paar dingen. Dan mogen wij in ons werk nooit denken: „Het is toch wat, dat iemand daarin vervalt". Wij moeten, dat is tenminste mijn persoonlijke instelling, naast de mensen gaan staan, want wij zijn allemaal gelijk. Alleen Gods Genade heeft ons behoed voor buitensporigheden. Door ons werk leren wij de moeilijkheden kennen en dan ben je dubbel dankbaar, dat God je heeft willen sparen voor die dingen. Maar laat het dan ook altijd de bede zijn, dat God ons genadig wil zijn en ons hiervoor bewaren.

Ik zou willen eindigen met een psalm, die ik iets wijzig en die toch voor ons allen van kracht moet zijn:

„Waarmede zullen wij allen ons pad door ij delheen (tegenwoordige tijd) omsingeld, rein bewaren? Gewis, als wij het houden naar het Heilig Blad. U zoekt ons hart, ons oog blijft op U staren, Laat ons van 't spoor in Uw geboon vervat, niet dwalen Heer, laat ons niet hulp'loos varen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1966

Daniel | 16 Pagina's

Maatschappelijk werk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1966

Daniel | 16 Pagina's