Vooraf.
Tijdens de laatstgehouden Evangelisatie-campagne in Mcrksem hebben we verschillende malen met elkaar als deelnemers gesproken over onderwerpen 1 die ons allen ter harte gaan. Telkens werd zon onderwerp door een van ons ingeleid. Zo is ook deze inleiding over de bekering ontstaan. Vooral omdat we daarna zo'n eerlijk, open en ernstig „nagesprek" hebben gehad werd voorgesteld zowel inleiding als nagesprek in Daniël te doen verschijnen. Een inleiding plus discussie is echter geen artikel. Bij een inleiding kun je wat improviseren; een discussie kan heel „persoonlijk" worden. Dergelijke vrijheden, die je eigenlijk niet kunt missen bij een onderwerp als het onze, dreigen min of meer verloren te gaan in een artikel. Toch zullen we ook schrijvende, over deze zaken niet anders dan „persoonlijk", dus „erbij-betrokken" kunnen bezig zijn. Het mag hier onze bedoeling niet zijn de bekering koel dogmatisch uit een te zetten. We zullen moeten overwegen wat de Schriftuurlijke, dogmatische gegevens ons een ieder te zeggen hebben.
De laatste zin gaf ongemerkt aan op welke manier we het artikel willen indelen: eerst zien we wat de Bijbel over bekering zegt, vervolgens laten we enige vertegenwoordigers van de reformatorische dogmatiek aan het Woord, en tenslotte proberen we enkele zaken wat in de practijk van ons leven te plaatsen, waarbij we dus gebruik maken van de gesprekken die we in Mcrksem gevoerd hebben.
Oude Testament.
Als wij in onze vertaling van het O.T. het woord „(zich) bekeren" lezen, staat daar in het Hebreeuws het woord „sjub". Dat heeft een heel concrete betekenis: mkeren, de tegenovergestelde richting uitgaan, op zijn schreden terugkeren. De laatste uitdrukking kunnen we in het Nederlands ook figuurlijk verstaan. Zo ook in het Hebreeuws. In godsdienstige zin betekent „sjub" dan ook: en innerlijke omkeer maken, zijn gedachten, zijn gezindheid veranderen. We zien dit duidelijk in Jesaja 55 : 7: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Iieere...." Dit voorbeeld toont ons dat het bij de bekering niet alleen gaat om uiterlijke, direct waarneembare veranderingen, maar vooral ook om de gezindheid. Toch moet het ons veel te zeggen hebben dat het Hebreeuws zo'n concreet woord gebruikt. Dit ligt volledig in de lijn van de prediking van het O.T. Er wordt gezegd waarvan men zich bekeren moet, en waar men zich naar toe moet keren. Het volk Israël wordt nooit in het vage gelaten. Het moet zich bekeren van de zonde (b.v. 1 Kon. 8 : 35, Job 36 : 10), van de afgoden, de ijdelheden, de duisternis (de profeten!), tot God, de wijsheid, het licht (b.v. Deut. 30 : 2, Jer. 4 : 1). Dit is een zaak van het hart, d.w.z. van de gehele mens. Vandaar dat i.p.v. „zich bekeren" ook andere uitdrukkingen voorkomen met dezelfde betekenis, zoals een gebroken en verslagen hart hebben (Ps. 51), het hart scheuren (Joel 2) e.d. Zo'n waarachtige, „hartelijke" bekering staat in tegenstelling met een oppervlakkige. Die kan wel wat uiterlijke schijn hebben, maar grijpt niet echt diep in. Zulke, vaak massale bekeringen hadden plaats onder Israël, wanneer er na een goddeloze, een godvruchtige koning aan de regering kwam: et volk regelde zich, althans uiterlijk, naar de godsdienst van de regerende vorst.
Een leerzaam voorbeeld van ware bekering vinden we in 1 Sam. 7 : 3 e.v., waar Samuël tot het volk zegt: Indien gijlieden u met uw ganse hart tot de Iieere bekeert, zo doet de vreemde go-
den uit het midden van u weg, ook de Astaroths; en richt uw hart tot de Heere, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken." Hier ontdekken we wezenlijke kenmerken. Het eerst van al wordt er over het hart gesproken. In vers 6 lezen we het resultaat; „wij hebben tegen de Heere gezondigd." Het waren immers de zonden waarvan men zich te bekeren had. Ja, in concreto betekende dat de afgoden, maar de zaak zat dieper; het is een hartezaak. Daarom begon Samuël met het hart. En dat sloeg in. Want direct deed het volk de afgoden weg en toonde schuldbesef en berouw, en ging de Heere alleen dienen. Daarop gebeurde wat de Heere door de mond van Samuel beloofd had: e Filistijnen werden verslagen voor het aangezicht van Israël. Dat zien we vaak: e vermaning tot bekering gaat gepaard met een belofte. Zo ook in b.v. Ilosea 6:1: Komt en laat ons wederkeren tot de
Heere, want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden." Doch de vervulling van de belofte wordt nooit als loon beschouwd. De diepste aanleiding van de bekering is niet het zicht op de vergelding, maar het besef gezondigd te hebben tegen de Hcere, met Hem in het onreine te verkeren.
Maar de Heere gebruikt vaak een situatie van ernstige nood om Zijn volk te vernederen. Hij laat hen dan prediken dat die nood eigen schuld is en dat Hij zich over hen zal ontfermen om Zijnentwil, doch tegelijk zegt Hij hun dat Hij er om gebeden wil zijn, dat het door een weg van bekering en berouw gaat, met smekingen en geween. Zonder bekering gaat het niet, maar de bekering is nooit het eigenlijke motief van Gods ontferming. Dus samenvattend: e bekering heeft zijn grondslag niet in de vergelding maar in het schuldbesef (dus God centraal), en de bekering is niet de fundamentele aanleiding tot genade, maar de genade is souvereine wil (dus ook God centraal). Waar we in de Schrift van genade lezen, is dat een puur eenzijdig Godswerk. Het wonderlijke van Gods vrijwillige liefde vinden we b.v. helder in Ilosea 14. In vers 2 heet het: Bekeer u, o Israël, tot de Heere, uw God, toe; want gij zijt gevallen om uw ongerechtigheid." Het volk moet dan schuld belijden, zij moeten leren wat genade is! In vers 5 gaat de Heere dan antwoorden: Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn is van hen gekeerd." Niet om het gebed en de bekering, maar op gebed en bekering. God leert Zijn volk het hele O.T. door dat Hij een vrijwillig-liefhebbend Heere is jegens een schuldig, onbekeerlijk volk. Ja, ook onbekeerlijk. Dat zag Jeremia toen hij zei: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn" (31 : 18). Juist bij de bekering moet God de eerste zijn, Hij moet altijd het initiatief nemen. Als de Heere die noodsituatie niet zou gebruikt hebben, als Hij het hart niet had verbroken door de prediking van zonde en genade, zou Israël zich nimmer bekeerd hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1966
Daniel | 15 Pagina's