Maatschappelijk werk
Causerie gehouden op de bondsdag van vrouwen-en meisjesverenigingen in Gouda.
3.
Nu zijn er dus, omdat vele mensen zich tot gemeentelijke instellingen wendden, die regelingen gekomen van bij ziekte en ongeval, bij noemt U zelf maar op, want het is allemaal zo bekend. Wij weten haast niet anders meer.
Na de oorlog en ook daarvoor hebben zich grote veranderingen voorgedaan in de maatschappelijke structuur. Wij weten het allemaal, als wij van Groningen naar hier willen, — want er zijn er geloof ik uit Friesland — grote afstanden, het gaat allemaal heel gemakkelijk per trein, per auto. De couranten, ach, het nieuws, dat vanochtend gebeurd is, heeft U vanavond in uw brievenbus. De financiële nood is niet zo groot meer, want men krijgt wel. Maar het werden steeds andere noden, waarmede men bij predikanten, diakenen of gemeentelijke instellingen kwam.
„Dominéé, mijn vrouw is ziek. Wat moet ik doen met de kinderen? Ik blijf thuis, maar aan het einde van de week heb ik geen geld en wij hebben een groot gezin. Wat moet ik doen? "
Een ander kwam: „Dominéé, mijn jongen is in dienst geweest. Hij heeft in Brabant gelegen en des avonds werd hij wel eens meegenomen door vrienden. Hij heeft in dienst leren drinken en hoe erg dit ook is, ik krijg hem er niet af".
„Dominéé, mijn oudste kind: ik weet niet wat er met hem is, maar hij is erg moeilijk."
En zo kwamen vooral in de grote steden bij gemeentelijke en kerkelijke instellingen al deze moeilijkheden, waarvan wij moeilijk kunnen verwachten, dat een predikant of een diaken, of iemand, die achter een bureau zit, hieraan hun volle tijd kunnen geven om dit op te lossen.
En van lieverlede heeft men gedacht om voor die moeilijkheden, die dus niet liggen op liet geestelijke vlak, want daarvoor is een predikant, en niet op medisch terrein, want daarvoor is de dokter, maar die andere soort noden, krachten aan te trekken, die iets weten van al die moeilijkheden.
Zo is het gebeurd, dat van lieverlede in de grote steden bij kerken, ik denk aan de Hervormde Kerk en andere kerkgenootschappen, stichtingen in het leven werden geroepen, die een maatschappelijk werkster benoemden, speciaal voor die noden.
Als men in dienst was van een gemeente of van een kerk, dan kreeg men alle moeilijkheden. Op den duur breidde zich dit werk zo uit dat er bijv. voor drankzucht speciale bureaus werden gesticht, waarbij een maatsch. werkster in dienst was, die dus alleen te maken had met mensen, die teveel dronken. Of de reclassering. Die maatsch. werksters hadden te maken met mensen, die in gevangenissen zaten. Er zijn ook ongehuwde moeders met vele moeilijkheden. Ook daarvoor zijn speciale bureaus opgericht.
Werkt men nu op het platteland, dan heeft men eigenlijk altijd alle moeilijkheden zelf op te lossen.
den zelf op te lossen. Het is wellicht goed om zo eens een paar voorvallen te horen, wat het maatsch. werk eigenlijk doet. Want U heeft gehoord, waardoor het is ontstaan en waarvoor het is, maar het is misschien ook wel prettig om te horen, hoe gewerkt wordt.
Een paar voorvallen wil ik U noemen. Wij kennen allen — dit is eigenlijk het meest bekend denk ik, de gezinsverzorging. Die meisjes met groene jurken en witte schorten, die helpen als de huisvrouw ziek is.
Bij grote instellingen die een heleboel meisjes in dienst hebben, staat een maatsch. werkster aan het hoofd. Dit moet ook wel, want zij moet proberen meisjes warm te maken voor het gezinsverzorgingswerk, maar zij moet ze ook begeleiden. Zij moet proberen uit te kienen in welk gezin het meest dringend hulp nodig is, want er zijn altijd meer aanvragen dan dat er gezinsverzorgsters zijn. Zij probeert dit zo eerlijk mogelijk te doen.
Maar als die meisjes werken, komen er ook wel eens moeilijkheden voor. Zij kunnen dan altijd terugvallen op hun leidster, want de meisjes zijn nooit hetzelfde en de huisvrouwen zijn dat niet. Het komt wel eens voor, dat ze een beetje tegen eikaar ingaan en dan probeert de maatsch. werkster een oplossing te vinden, door een ander meisje in dat bepaalde gezin te plaatsen.
Door de gezinsverzorgsters hoort de maatsch. werkster vaak de moeilijkheden, die er in een gezin kunnen zijn. Het kan voorkomen, dat in een gezin de linnenkast bijna leeg is. Wij weten allemaal, dat als een huisvrouw ziek op bed ligt, zij graag schone lakens en slopen op haar bed heeft. Dat kan bij ziekte niet eens per week.
Het is eerder vuil en je wil er toch netjes bijliggen. Maar dan gebeurt het wel eens, dat de gezinsverzorgster in een lege kast
grijpt. De lakens werden eens per week gewassen, dat kon net.
En verder had men niet. Dit komt ook heus wel voor in gezinnen waarvan de inkomsten vrij behoorlijk zijn. Dan werd gedacht: Hoe komt dit? Dit vernam cle maatsch. werkster van de gezinsverzorgster en dan bleek wel, dat door vele ziekten niet de mogelijkheid aanwezig was om de linnenkast of iets anders, aan te vullen. Dit werd clan besproken met de diakonie, die dan de helpende hand kon reiken, vaak tot grote blijdschap van de mensen, die door ziekte in nood waren geraakt en waarvan men niets wist.
De drank.
Zegt nu niet, dat komt men in onze kringen niet tegen. Het zal ook niet zo veel voorkomen, maar toch komt het voor. Ik heb juist een vrij jonge man gezien op Koninginnedag, die te veel gedronken had.
Hij zei mij: Hier is een slecht mens. Hij had verschrikkelijk berouw ook omdat hij zich schuldig gevoelde ten opzichte van God, dat hij weer in dezelfde fout gevallen was. Hij had het gepresteerd om ruim een jaar niet te drinken, terwijl hij vroeger veel dronk. Dit is een pi'estatie, daar kunnen wij niet gering over denken. Maar hij was er toch weer in vervallen.
In mijn vorige werkkring kwam op een ochtend een vrouw bij mij, erg nerveus en vroeg mij: Weet U geen oplossing, dat mijn schulden betaald worden. Het was een keurige vrouw. Zij had een eigengemaakte jurk aan. Dat kon ik zo zien. Daaraan kan men meestal zien, dat het een zuinige huisvrouw betrof. Maar die schulden! Zij had vloerbedekking moeten kopen, want met haar gezin was het vorige versleten en zij had kleding gekocht voor de kinderen, jasjes, want die kon zij niet zelf maken. Zij had de winkelier beloofd: „Als ik de kinderbijslag heb, dan kom ik betalen." Maar de kinderbijslag was gekomen en zij had niets betaald on nu was de leverancier gekomen. Deze had gezegd, dat hij, nu er niet betaald was, er werk van zou maken.
Ten einde raad kwam zij bij mij. Zij dacht, als die juffrouw eens praat rnet diakonie of gemeente, wie weet, wordt er dan een oplossing gevonden. Volgens mij moest hier echter een achtergrond zijn. Ik vroeg haar dus, hoeveel kinderen zij had en wat haar man was. Hoeveel inkomsten hij had. Haar man was veehandelaar, verdiende altijd behoorlijk.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1966
Daniel | 16 Pagina's