DE BIJBEL IS DE HOF
Wat zoekt gij naar de tuin, die Adam was gegeven,
en daar hij om zijn schuld is weder uitgedreven,
die van de watervloed mag wezen weggevaagd!
Ik weet een ander, die geen slechter vruchten draagt.
De Bijbel is de hof, dat kostelijke Eden, dat ware paradijs, waarin als ik ga treden, ik vind daar 's levens boom: Gods Zone, God en man,
Die 't leven uit de dood de Zijnen geven kan. Ik zie aldaar geplant de boom der klare kennis van goed en ook van kwaad (de eter niet tot schennis,
maar om de reine deugd te kiezen, voorgezet, en 't boze te ontgaan): de goddelijke wet. Ook bomen altijd groen als in hun eerste lenten:
de leraars van Gods Woord uit beide testamenten.
In 't midden doet zich op een springende fontein,
die in vier aderen het onvervalste grein van goud en paarlen draagt aan die er niets van wisten:
de blijde nieuwe maar der vier evangelisten. Hier hoor ik Godes stem, die Adam van de vlucht
herroepet met een sterk doordringende gerucht.
Hier ruisen Zijne treên, hier laat Hij mij gevoelen
de aangename wind mijn ziele te verkoelen: de wind de Heilige Geest, die wonderlijk verkwikt
de harten, in de brand der droefenis verstrikt. Wat vraag ik naar 't voorleên? dit Eden wil ik bouwen
totdat mijn ogen eens het hemelse aanschouwen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1966
Daniel | 16 Pagina's