Maatschappelijk werk
Causerie gehouden op de bondsdag van vrouwen-en meisjesverenigingen in Gouda.
2
De eerste Christengemeente.
Dit heeft niet lang zo geduurd, want al spoedig lezen wij van Ananias en Saffira dat zij hun land wel verkochten, maar een deel achter hielden.
Plet eigen „IK" kwam om de hoek kijken. Daarna lezen wij ook, dat de Grieken murmureerden tegen de Hebreeën, dat de plichten, die aan de weduwen gedaan moesten worden, dus handreiking, werden verzuimd en op grond daarvan is besloten om diakenen te kiezen: mensen, die dus de opdracht kregen om de ingezamelde goederen te verdelen onder degenen die het nodig hadden. Dat was dus de tijd, dat de eerste Christengemeente alles verkocht en gezamenlijk leefde van de opbrengst. Stellen wij daar de tijd van nu tegenover. Er wordt wel eens gezegd: er wordt gezorgd voor de mens van de wieg tot het graf.
Bij ziekte van de huisvader, men krijgt een uitkering;
bij ongeval evenzo; wordt men G5 jaar, een uitkering kan men bekomen cm van te leven, en een weduwe, die alleen achterblijft, ook zij krijgt een uitkering.
Dit betekent een grote verschraling buiten toen, want God heeft men in feite niet meer nodig als men ziek is, want er wordt toch wel gezorgd.
Deze tijd is natuurlijk niet vanzelf geko-
men, maar eigenlijk door de achterliggende eeuwen. De liefde tot God en de naaste, die gemaakt had dat alles werd verkocht en dat men van de opbrengst gezamenlijk leefde, was al gauw niet meer te vinden. De liefde tot d.e naaste kon men zien in de koliekten. De koliekten verminderden. De kerken in vroeger eeuwen kregen steeds minder geld en gaven ook minder. Ook al had men genoeg geld. De hulpvaardigheid was niet zo groot. Het was een verschraling.
Het gevolg was, dat degenen, die in financiële nood waren, zich gemakkelijk wendden tot de overheid en daar om hulp vroegen.
De kerken in de vorige eeuwen hadden ook wel schuld. Moest een gezin vroeger een gift van de kerk vragen, dan geschiedde die hulpverlening wel op onjuiste wijze, hoe erg dit ook klinkt. Zelfs in het begin van 1900 nog. Ik heb wel gelezen, dat in bepaalde dorpen, — niet overal gelukkig — een weduwe achterbleef met een gezin met kinderen. Met het doen van wassen voor anderen probeerde zij zich zoveel mogelijk te redden. U begrijpt, de kinderen; hele dagen wassen, de zorg voor de kinderen kon niet zo groot zijn. Maar het moest. De diakonie gaf dan wel een bijdrage, een kleine bijdrage. Hierin werd toch eigenlijk niet het hart gezien, de liefde tot God, anders zou het anders geweest zijn. Maar als zo'n weduwe dan geld kreeg, dan moest zij iedere zondag in de voorste bank van de kerk gaan zitten met haar kinderen. Iedereen wist dan: Die krijgt van de diakonie.
Als er dan eens des zaterdags een witbroodje gehaald werd en het werd gezien door één der diakenen, dan werd haar gave met 50 cent (veel in die tijd) ingekort, want iemand, die witbrood at! dat was toch wel heel erg. Dan was de nood nog niet zo groot. Er werd toen niet gevraagd: zou er een kind jarig zijn, of zou er een kind ziek zijn, dat heel graag witbrood wil. Als er een jongetje van bijv. een jaar of 10 op school was en men dacht; Die heeft de leeftijd, die kan wel gaan werken: al kon dat jongetje nog zo goed leren: hij moest van school af en gaan verdienen. Die tijden zijn gelukkig voorbij. Maar die hebben toch wel medegewerkt aan een bepaalde vervlakking. (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1966
Daniel | 16 Pagina's