Beeldenstorm en Gereformeerden
Boeven, burgemeesters, jonkers en graven
Aan de beeldenstorm namen allerlei mensen deel, al werd het „vuile werk" meestal opgeknapt door paupers, zwervers en vagebonden. Vaak berustte de leiding bij gereformeerde ambachtslui, een enkele keer ook bij leden van de adel! Een beschrijving van de daders in een aantal steden kan dit beweren illustreren.
Over de bedrijvers van dc beeldbreking in Antwerpen zijn alle vooraanstaande roomsen en protestanten uit die tijd het eens. We lichten de kernwoorden uit hun beschouwingen: „jongens en schelmen", „allemaal canaille en lieden van laag allooi", „hoere en boeve", „een hoopje gepeupel" (Willem van Oranje), „het geboefte", „vrouwen, kinderen en kerels zonder aanzien" (Marnix van St. Aklegonde). Enkele vooraanstaande calvinisten — de advokaten Rosenbergher en Dionesy met enige voorname kooplui — waren persoonlijk bij de „brekinghe" aanwezig. Zij gebruikten hun aanzien en gezag om ervoor te zorgen, dat de beeldbrekers geen strohalm in de weg gelegd werd.
In Utrecht hielden enkele edelen en een grote groep ambachtslieden, „altesamen lieden van cleynen conditiën" zich met beeldstormen bezig. Zij stookten een groot vuur van een prachtige kloosterbibliotheek tussen de bedrijven door. Om de vlammen wat aan te wakkeren smeten ze de aanwezige olie en boter in de vlammen! De orgels werden echter gespaard, 's Avonds kregen de stormers, die door wachtposten van calvinisten werden beschermd, een aantrekkelijk dagloon uitbetaald.
In Leeuwarden stelde de plaatselijke overheid zelf voor om de stadskerken te ontdoen van de „vuiligheid der mispaperij". Onder bescherming van de schutterij werd dit karwei 's nachts door werklui opgeknapt. Jan Rap en zijn maat kwamen er dus niet aan te pas. Ook in Den Haag ging alles bijzonder rustig toe. Men vroeg arbeiders aan de president van het liof van Holland. De beelden werden uit de kerken weggenomen. Stukslaan was er in het geheel niet bij.
Volgens „De Rotterdammer" van 13 augustus j.L, waaraan we een enkel gegeven ontlenen, moet de graaf van Culemborg van de beeldenstorm in zijn woonplaats een feest voor het gepeupel hebben gemaakt. De rekeningen van de grote hoeveelheden bier, die tijdens de bezigheden werden verzwolgen, liegen er beslist niet om. De graaf zelf stimuleerde de stormerij met zijn aanwezigheid. Hij voerde zijn papegaai met heilige hostie!
Uitbarsting van volkswoede
Er zijn roomse geschiedschrijvers geweest, die achter de beeldenstorm de organiserende hand van de gereformeerde synode meenden te bespeuren. En uit de marxistische hoek is wel de gedachte gekomen dat adel en gezeten burgerij de beeldbreking in het leven hebben geroepen om het hongerige, opstandige volk de nodige afleiding te verschaffen. Hun motto moet geweest zijn: Liever beelden dan kastelen.
Dit soort conclusies is echter onhoudbaar, omdat het feitenmateriaal daarvoor géén grond geeft. Overigens moet worden opgemerkt, dat we van de beeldenstorm eigenlijk weinig weten. Slechts van enkele steden — Antwerpen, Middelburg, Utrecht, Haarlem en Den Briel
— is het verloop van de brckerij nauwkeurig bekend. Wel blijkt uit de beschikbare gegevens één ding overduidelijk: er is geen spoor van een landelijk plan. Alles wijst op een „vlamme viers ende blixem". Met deze woorden van de pensionaris van Antwerpen, Van Wesenbeke, is het spontane karakter van de beeldenstorm raak getypeerd. Zeer waarschijnlijk moeten we de beeldenstorm zien als een plotselinge uitbarsting van volkswoede, waarbij godsdienstige en politieke motieven waren vervlochten met vernielzucht en puur vandalisme.
Achtergronden
Met name loopt er een lijn van de prediking der haechpredicanten naar de beeldenstorm. Zij gaven in klare taal te kennen, dat alle beelden, crusifixen, lievevrouwen, sinten en hosties naar uitwijzen der Schrift onder één noemer moesten worden gerangschikt: afgoderij. Wel stelden de voornaamste hagepredikers, dat het gewone volk geen énkel recht had om de kerken te reinigen. Doch heel wat haechpredicanten uit de kring der ambachtslieden en ex-kloosterlingen dachten daarover bepaald anders. Zou men de kerken, misbruikt voor „paepse superstitie", niet bezetten en reinigen voor de verkondiging van het reine Evangelie nu de koude, natte herfst naderde?
Een zeer belangrijke factor was ook de algemene afkeer bij alle lagen der bevolking — in vorige artikelen kwam dit reeds ter sprake — van inquisitie en geloofsvervolging. Opgekropte verontwaardiging en haat werden ontladen in beeldbreken.
In Zuid-West Vlaanderen zullen ook sociale icanverhoudingen een woord hebben meegesproken. De overdadige, uitdagende pracht en praal der roomse kerk, die geen woord en geen brood had voor een werkloos industrie-proletariaat van vele duizenden, riep om vergelding.
Tenslotte moeten we beseffen, dat het smeekschrift der edelen, gebrek aan geld en soldaten, het bloedpakkaat van 3 juli en de onbetrouwbaarheid der stedelijke schutterijen een gezagscrisis van grote omvang had geschapen. Waar het gezag wijkt, wint de chaos. Denk slechts aan de rellen in Amsterdam in het jaar 1966.
liet gereformeerde standpunt
De beeldenstorm haalde in één keer een forse streep door het plan van de gereformeerde kerkeraden om op 21 augustus een smeekschrift in te dienen, waarin gevraagd werd hun enige kerken of openbare gebouwen af te staan voor de prediking. Het smeekschrift zou door 1400 vooraanstaande protestanten worden aangeboden. Dit plan, gesteund door lage én hoge adel, is het beste bewijs van de onschuld van de leidinggevende gereformeerden aan de beeldenstorm. Zij wilden de ivettige weg gaan in het voetspoor van Calvijn, die het wegnemen van beelden uit de kerken zonder uitdrukkelijke machtiging van de overheid met nadruk had verboden. Zijn leerling, Ds. Franciscus Junius, voegde een Gentenaar, die zijn mening wilde weten over beeldbreken op eigen houtje, strenge woorden toe: „Gij hebt daartoe geen wettige roeping, omdat gij geen overheid zijt, noch enig wettig gezag bezit". Ook de heftige Datheen, die tijdens de beeldenstorm in Genève was, moest met Moded van onbevoegd handelen niets hebben. Van hem wordt vermeld, dat „hem die onordentelijcke beeldbrekerie, bij welcke hij noyt geweest heeft, hem altijt secr mishaecht heeft".
Gereformeerd, verweer
Verwijten van roomse zijde, die de beeldenstorm op rekening van de prediking der haechpredicanten schreven, hebben de gereformeerden afgewezen. Zij zagen een wijder verband, , , 't Es een kleen zake oft wederwrake dat wij dus beelden breken, dwelk toch een specie van
(een grondstof voor) afgoderie es, daar 't geestelijke ons veel meerder schade ende hinder gedaan heeft, ja onspreeklijk jammer (smart), brekende deur haar vervolgen die beelden die God zelve gemaakt hadde encle daar hij zijn dierbaar bloed, voren gestort heeft, te weten ons naaste vrienden, vaders ende moeders, zusters ende broeders".
Zo schreef de Gentse calvinist Van Vaernewijck. Zo ook Marnix van St. Aldegonde. En het gelijk is ten diepste aan hun zijde. De veroecumeniseerde protestanten, die anno 1966 nog jammeren over vernielde kunstschatten, hebben van het verband tussen vervolging en beeldenstorm niets begrepen. Wie de levende verkondiging van Gods Woord — daar ging het om! — negeert en met vuur en zwaard bestrijdt, draagt zélf de volledige verantwoordelijkheid voor de gevolgen van zijn daden. Gods kerk, Gods volk aanraken, is raken aan Gods oogappel, is Zijn oordelen over zich halen. Daarom stemmen wij het Marnix toe: „Een werk geleid door een buitengewone kracht Gods, waaraan de mensen geen weerstand konden bieden".
Anderzijds mogen wij de troostrijke wetenschap, dat alles aan Gods bestuur en oordeel onderworpen was en is — ook het beschreven stuk verleden — niet aangrijpen ter rechtvaardiging van liefdeloze, antipapistische uitlatingen nu. Wie nog eens een beeldenstorm op touw wil zetten, weet niet wat hij zegt! En dat niet uitsluitend omdat de situatie in Nederland in 1966 geheel anders is, maar vooral omdat het volk géén recht heeft eigenmachtig dergelijke opruimingen tc houden. Houden wij deze goede, oude gereformeerde lijn toch va.st. En laat gróte dankbaarheid ónze harten vervullen dat wij in een vrij land in éigen kerken de lévende verkondiging des Woords mogen hebben. Dat is dc les uit 1566 voor 1966.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1966
Daniel | 16 Pagina's