De mens gaat naar zijn eeuwig Huis.
Over het sterven is de eeuwen door geschreven; de Bijbel staat er vol van. Denk slechts aan de psalmen, waarvan er zovele gedicht zijn, toen er voor David maar één schrede was tussen hem en de dood. Hoor Job en Jeremia over hun sterven spreken en in het gebed van Mozes worden we gewezen op de kortstondigheid van het aardse leven.
Dirk Rafaelsz. Camphuysen (158G—1627) schreef in „Lust om ontbonden te zijn" o.a.
Hoe lang, ach Heer!
Hoe lang nog mist mijn ziel de zoete stand Van 't waar verheugen?
Helaas! wanneer,
Wanneer zal ik eens 't eeuwig Vaderland Betreden meugen?
Ach, kon het zijn
Dat ik, niet meer door d' aardse lichaams band
Omlaag gehouwen,
Dat klaar geschijn
Van Godes licht (nu ver en in 't verstand) Dicht mocht aanschouwen.
Jeremias de Decker (1009—16C6) eindigt het sonnet „Aan mijn sterfdag" met deze terzinen:
Hoe spoedt gij herwaarts aan, doch als op wollen voeten!
Gij zult, gij zult misschien mij in dit jaar ontmoeten,
Misschien in deze maand, in deze week misschien.
En kleef ik, dwaze, nog zo vast aan mijn gebreken,
En leef ik nog zo los, alsof ik nog veel weken,
Nog vele maanden zou, nog vele jaren zien?
Jacob Cats (1577—1G60) verzucht in „Avondzang":
Geef maar, o Heere, na mijn leste dag, Dat ik bij U eens ruste vinden mag; Dat is mijn hoogste wens. Als slechts mijn ziel haar Schepper mag genieten,
En dat Zijn troost op ons komt
nedervlieten,
Dan acht ik niemendal,
Noch wat het vlees of al de wereld heeft, Noch even zelfs al wat de hemel geeft; Want God, die is het al.
Constanstijn Huygens (1596—1687) begint „Op mijn gebooi^tedag" met deze regels:
Nog eens september en nog eens de vierde dag
Die mij verschijnen zag! Hoeveel septembers, Heer, en hoeveel vierde dagen
Wilt gij mij nog verdragen? En dan eindigt hij het gedicht: Wat wacht ik meer op aard', waarom en scheid ik niet?
'k Wacht, Heer, dat Gij 't gebiedt. Maar, mag ik nog een gunst bij d' andere begeren,
Laat mij zó scheiden leren, Dat iedereen die 't ziet, mijn scheiden en het zijn'
Wenst enerhand te zijn.
Jan Luyken (1649—1712) dichtte „De grijze ouderdom":
'k Werd wit van ouderdom, en 't leven zat, en stram,
In d' oude woning, daar de wanhoop vaak kwam waren,
En joeg me doodschrik aan, en doopt' in 't zweet mijn haren,
Hoe dikwijls keek ik uit of Jezus nog niet kwam!
Maar, allerwijste Heer, 't mag kort of lange duren,
Uw name zij geloofd: Gij komt ter rechter uren.
H. Marsman (1899—1940) schrijft somber over de komende dood in „Doodsstrijd":
Ik lig zwaar en verminkt in een hoek van de nacht,
weerloos en blind; ik wacht op de clood die nu eindelijk komen moet. het paradijs is verbrand: ik proef roet. dood, angst en bloed. ik ben bang, ik ben bang voor de dood.
A. Roland Holst (geb. 1888) schreef in zijn bundeltje „Onder koude wolken" een gedicht, dat niet zo gemakkelijk is, maar dat spreekt over het naderen van de dood. Het heeft als opschrift „Afwachtende III" en luidt:
Al bijna ben je niet onzichtbaar meer;
al bijna ga ik het worden. Als ik voor de spiegel sta
kijk ik een kamer in: bij een van de gordijnen
lijkt al iets gaande, dat ik afwacht, gadesla,
mij vaag herinner In die kamer nam geen ander
meer intrek in de levensjaren na je dood. Het wachten bleef daar op het uur,
niet van een wonder, maar van je weerkeer naar een deur die ik nooit sloot.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 28 augustus 1966
Daniel | 16 Pagina's