Een rubriek voor en van onze jeugd
Van 8 tot 16
Daar ik van jullie nog geen nieuwe ideeën heb gekregen moet ik vandaag nog maar op de oude voet verder. Heus jongelui, als jullie er prijs op stellen dat deze rubriek in ons blad gehandhaafd wordt dan moeten jullie me voortdurend iets sturen. Jullie weten toch clat de mogelijkheid bestaat om ook foto's in te zenden? Vanzelfsprekend met een leuk verhaaltje erbij. Het woord is weer aan jullie. Ik wil hier ook nog even de aandacht vestigen op onze vakantie-wedstrijd. Tot 1 september kunnen jullie de oplossingen inzenden. De volgende keer hoop ik de inzendingen te bespreken en de uitslag bekend te maken. Ik heb al verschillende oplossingen binnen, maar nog niet genoeg.
Nu maar weer een gedicht. Het heet:
De vrouwen van Wijnsberg
De keizer Koenraad, lang geleden, was op die stad gebeten. Hij bracht een leger op de been en stommelde om haar muren heen alsof hij ze op wou eten. Toen plantte hij zijn grof geschut en schoot de halve stad tot grut.
En toen het stadje weerstand bood, toen zond hij zijn trompetter, die dreigde alles met de dood, wat leven in de vest genoot. Hij bulderd' als een ketter: „Weet schurken, kom ik in de wal, dat ik u allen hangen zal."
Zo haast de burger dat verstond, gaf elk de moed verloren. Men zag verwilderd in het rond en bibberd' als een juffershond te halver lijf geschoren. Het brood was duur in deze staat, maar nog veel duurder: goede raad.
Doch als de nood ten hoogsten graad van 't onheil is gekomen, dan is het somstijds vrouwenraad, daar mannen bij verstommen. Want vrouwenlist, zo 't spreekwoord zeit, gaat boven alle listigheid.
Een vrouwtje als een engelin, gehuwd sinds twee paar dagen, schoot straks een inval in de zin, (de vrucht van ware huw'lijksmin) die ieder moest behagen. En daar ge, hebt ge slechts geduld, om huilen of om lachen zult.
In 't midden van de holle nacht, trok daar een ambassade van alle vrouwen, onverwacht bij Koenraad in zijn legermacht en smeekte om genade. Zij baden daar met al haar kunst, maar wonnen niets dan deze gunst:
„De vrouwen worden toegestaan om met hun beste panden te voet het stadje uit te gaan; maar wat men zo niet op kan laan vervalt in 's keizers handen." Met deze boodschap keert men weer en ziet droefgeestig voor zich neer.
De morgen rees, de dag kwam voort, maar let eens wat voor kuren! Daar opent zich de naaste poort, daar trekken op 't gegeven woord de vrouwen uit de muren. En ieder torst een grote zak, waar zij haar eigen man in stak!
Een landsknecht merkt de list en raast. Zij zien zich aangehouden. Maar Koenraad nadert metterhaast en 't hart was bij hem wel geplaatst. Hij prijst de brave vrouwen. „Neen, " zegt hij, , , 'k gaf mijn woord van eer en de uitleg staat aan mij niet meer."
Dit vers werd me toegezonden (al lange tijd geleden) door Arend Beens uit Genemuiden. 't Is een grappig gedicht, hoor Arend. Waar heb jij het gevonden? Die vrouwen hadden veel voor hun mannen over, vind je ook niet?
En dan nu één van de laatste opstellen, die ik nog heb. Het handelt over:
Bonifatius
Heel lang geleden woonden er in ons land mensen die allerlei goden aanbaden en vereerden. Mensen, die dus geen christenen waren. In het jaar 71G landde Winfried bij Wijk bij Duurstede. Hij had in een Engels klooster gestudeerd. Hij was nog jong toen hij van Engeland naar Nederland reisde.
Willebrord was gevlucht voor de Friezen. Wat moest Winfried nu gaan doen? Hij ging eerst naar Utrecht om aan Radboud te vragen of hij het evangelie mocht verkondigen. Radboud luisterde niet naar hem, maar stuurde hem zelfs het land uit. Dan keert hij terug naar Engeland. Hier zijn ze blij dat hij terug is. Ze benoemen hem tot abt van een klooster. Is Winfried ook blij? Neen, hij niet, want hij wil zo graag de heidenen het evangelie brengen. Twee jaar later besluit hij weer te gaan preken. Nu reist hij eerst naar de paus in Rome. Deze zegt hem in Duitsland te gaan prediken. Ook geeft de paus hem een verzameling reliquiën mee. In Duitsland heeft hij drie jaar met Willebrord samengewerkt, maar dan moet hij afscheid nemen, want zijn vriend wil ergens anders heen, dus is hij alleen. Nee, hij is niet alleen, God is bij hem, Die bewaart hem overal.
Op een avond, het is al bijna donker in de bossen, zien ze in de verte een licht. Winfried en zijn helpers spoeden er zich heen. Daar zien ze een menigte mensen, die rond de eik van hun god Donar staan. Aan de voet van de eik is een grote offersteen. Deze avond moet een jongen van ongeveer twaalf jaar geofferd worden. Eensklaps echter springt Winfried naar voren en verhindert de heidense priesters om deze knaap te offeren. Later heeft hij die eik om laten hakken. Hier is hij ook gaan prediken en heeft er later een kerk gebouwd. Hij werkt niet voor niets, want hij mag hier duizenden mensen dopen of laten dopen. De paus komt het ook te weten en hij is er zo blij mee, dat hij Winfried naar Rome laat komen. Hier wordt hij bisschop en later zelfs aartsbisschop. De paus geeft hem ook een andere naam: Bonifatius, dat betekent: Weldoener.
(Wordt vervolgd)
Jan Wilbrink — Apeldoorn.
Allen hartelijk gegroet.
C. de Bode
Ten Ankerweg 10 - Tholen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 28 augustus 1966
Daniel | 16 Pagina's