De toekomst van uw kind
4
Wanneer het kind eenmaal op de lagere school zit, heeft praktisch ieder ouder de neiging meer of minder angstvallig de prestaties en vorderingen na te gaan. Dat is ook begrijpelijk, want elke vader en moeder gunt z'n zoon of dochter een goede toekomst. En aangezien de school de brug slaat tussen de wereld van het gezin en die van de maatschappij is het heel belangrijk hoe het kind op school tot ontplooiing komt. Toch is deze angstvalligheid geen goede houding. Men kan er zelfs veel mee kapot maken. Want wanneer kan een kind goede vorderingen maken? Alleen als het belangstelling heeft voor de onderwerpen, die op school aan de orde komen! Hebben de ouders nu voldoende aandacht aan hun kinderen besteed, dan zal het vanzelf meer belangstelling voor diverse dingen hebben gekregen. En een goede school past zich bij deze kinderlijke belangstellingswereld aan. Om een voorbeeld te noemen: een kind leert met winkeltje spelen beter rekenen dan wanneer het geleerd heeft perfect tot honderd te tellen. En op die eerste manier gaat ook de school verder. Ook hebben sommige ouders de neiging hun kind vóór de lagere-schooltijd al veel te leren, zoals lezen, schrijven en rekenen. Dit is bijzonder gevaarlijk als het kind hierom zelf niet spontaan vraagt. Want dan heeft het nog geen belangstelling voor deze bezigheden en juist door dit te vroeg bezig zijn wordt meestal niet de belangstelling, maar de afkeer groter, wat natuurlijk een stempel zet op het latere schoolwerk. Normaal is het kind tot nu toe spelend en vol fantasie bezig geweest-De lagere school gaat in de eerste klas nog op dezelfde voet voort en brengt het kind geleidelijk aan in de wereld van het verstandelijk bezig zijn. En wanneer nu de ouders tegelijkertijd thuis bezig zijn het kind op „schoolse" wijze iets bij te brengen, clan werken ze het leerproces juist tegen. Daarom is de beste hulp belangstelling te tonen voor het hele leven op school: de juffrouw, de klas, de verschillende bezigheden enz. Aan die vijf uur op school ieder dag heeft het voorlopig genoeg en daarom heeft het buiten school nog alle vrije tijd nodig om „uit te dollen". Spelenderwijs leert het kind het. gemakkelijkst en het vlugst, waardoor huiswerk in de eerste klassen onnodig is. Sommige scholen geven het toch mee, omdat de ouders de school anders niet vertrouwen. Hopelijk stelt U nu wel meer vertrouwen in een huiswerkloze school.
Het eerste punt was dus belangstelling tonen èn belangstelling kweken. Ook belangrijk is een goede samenwerking en harmonie tussen ouders en school. Spreken de ouders afkeurend over school en leerkrachten in het bijzijn van de kinderen, dan neemt het kind dit snel over. Zo gaat het de meester of juffrouw kritisch bekijken en komt daardoor gauw in een conflictsituatie. Dit wordt door het kind thuis verteld en natuurlijk krijgt het gelijk, want de ouders staan tegenover en niet naast de leerkracht. Dit verergert de situatie en het kind krijgt het er steeds moeilijker mee, hetgeen z'n ontwikkeling en ontplooiing belemmert. En hiermee bereiken de ouders nu juist niet wat ze zo graag wilden. Val dus de school nooit af en hebt U bezwaren, bespreek die dan onder vier ogen met de school zelf. U kunt altijd om een onderhoud vragen en bovendien geeft een goede school zelf reeds mogelijkheden daartoe, zoals met de ouderavonden, de kijkavonden en het huisbezoek.
Als laatste punt van de lagere school wil ik het nog even over de straf hebben. Een kind dat op school straf krijgt, hoeft dit thuis niet nog eens te ontvangen. Een opmerking als „dat komt toch zeker niet weer voor" is voldoende. Doen de ouders het daarentegen thuis nog een keer „dunnetjes" over, clan werkt dit de oneeerlijkheid in de hand. Het kind durft er niet meer mee thuis te komen en bedenkt allerlei uitwegen om het niet aan vader en moeder te hoeven vertellen. En dan heb je al gauw een leugentje nodig.
Na deze drie punten: belangstelling tonen en kweken, een goede samenwerking tussen ouders en school en redelijkheid in het straffen, komt de volgende keer de vraag welke de mogelijkheden na de lagere school zijn. S. T. van M.-V.
Hier volgt de causerie, die door een maatschappelijk werkster van onze gemeenten gehouden werd op de laatstgehouden bondsdag van onze vrouwen-en meisjesverenigingen in Gouda:
Geacht bestuur en alle aanwezigen.
Toen een van uw bestuursleden mij vroeg of ik iets wilde vertellen over maatschap-
pelijk werk, heb ik me even bedacht, want ik dacht, zoveel vrouwen..., dat vond ik een beetje griezelig. Ik heb echt niet geweten, dat er zoveel waren, want anders had ik me nog meer bedacht. Ik hoop echt, dat U me met clementie zult aanhoren.
Ik heb uiteindelijk gezegd, dat ik het wilde doen, want het maatschappelijk werk is nog heel erg onbekend. Men leest veel ov.er maatschappelijk werk en over maatschappelijk werksters. Maar wat doen ze eigenlijk? Dat is niet zo bekend. Heel veel wordt aan mij gevraagd, wat is maatschappelijk werk en wat doe je eigenlijk? Om U d.e waarheid te zeggen, heb ik dan de neiging om te zeggen: „Ja, hoe moet ik dat zeggen? " Bij diverse beroepen kun je rustig zeggen: Een timmerman bewerkt hout; .een dokter probeert zieken te genezen, maar bij maatschappelijk werk ligt het iets moeilijker, om zo maar direct te zeggen wat het inhoudt.
Maatschappelijk werk moet, als het goed is, gebaseerd zijn op de driehoek, waar de heer Kuijt het over had. Gocl lief te hebben met geheel je hart, met geheel je ziel, met geheel je verstand en met alle krachten: het eerste Gebod en het tweede Gebod, daaraan gelijk is: je naaste lief te hebben als je zelf. Je naaste. Als je zelf in nood verkeert, dan wil je graag geholpen worden op welke wijze dan ook. Doet dit dus ook je naaste, die je lief moet hebben als jezelf.
Maatschappelijk werk: in een boek is geschreven over maatschappelijk werk: Helpen als ambacht: dus als beroep. Helpen als beroep. Ik vind het altijd eenvoudiger om te zeggen: Hulpverlening — dus als beroep — van mens tot mens. Twee partijen. Iemand, die in nood verkeert en iemand, die tracht te helpen. Dat helpen geschiedt dus als beroep. Anders zou bijv. burenhulp, die in bepaalde provincies nog groot is, maatschappelijk werk genoemd kunnen worden, maar omdat het geen beroep is, is het geen maatschappelijk werk. Hulpverlening. Door de gehele Bijbel heen kan men hierover lezen, zowel in het Oude, als in het Nieuwe Testament. In het O. Testament bijv. geeft God aan Mozes opdracht, dat het volk van Israël het lancl niet geheel moest bewerken. Een deel of een hoek van de grond moest ongeoogst blijven en het moest ook niet al te nauwkeurig nagelezen worden. Ook de wijngaard niet. Dit moest overblijven voor de armen en de vreemdelingen, dus de mensen, die geen of weinig inkomen hadden. We lezen dus ook van Boaz, dat hij opdracht geeft aan de knechten om niet te goed na te lezen, opdat Ruth, die het met haar schoonmoeder niet rijk had, in de gelegenheid zou zijn om veel in te zamelen. Het Nieuwe Testament. Tijdens de rondwandeling van de Heere Jezus wordt herhaalde malen door de Heere Jezus gewezen OD de weduwen en de wezen. Hij beveelt hen in de aandacht van iedereen aan. Ook tijdens de rondwandeling van de Heere Jezus werd aan de armen gedacht, want wij lezen bijv., dat Maria Hem zalfde met kostbare zalf en dat toen uit de kring van discipelen, Judas o.a., gezegd werd, dat dat geld toch beter aan de armen gegeven had kunnen worden. Dat bewijst dus wel dat zij geld inzamelden voor de armen.
Nadat de Heere Jezus ten hemel is opgevaren, bleven de discipelen achter en velen, die God liefhadden en hun naasten, verkochten wat ze hadden en verdeelden de opbrengst, naardat elk van node had.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 28 augustus 1966
Daniel | 16 Pagina's