Op de plaats van de biiitenpreek (2)
De psalmbundel van Datheen en het Boskoopse liedboek
De verbazing van de roomse tijdgenoten over liet „openbaerlijck singen" van de psalmen door de bezoekers der hagepreken werd in het vorige artikel geschetst. Nu moet wel de vraag volgen: Waaruit hebben al deze mensen hun psalmen gezongen?
De meeste preekgangers zullen in het bezit geweest zijn van „De CL Psalmen des propheten Davids." Deze psalmberijming van hageprediker Petrus Datheen was dat voorjaar op 25 maart voor het eerst verschenen. Juist twee maanden voor het begin der hagepreken! Vaak kon men dit psalmboek ook op de plaats van de buitenpreelc kopen bij een marskramer of een soort boekhandelaar, die de zijde van de hervorming gekozen had.
Zij die de bundel van Datheen niet betalen konden, zullen wel genoegen genomen hebben met een liedboekje van twaalf folio's, waarin naast liederen ook een klein aantal psalmen was opgenomen. Zon liedboek is namelijk in 18Ö8 teruggevonden in de toren van Boskoop, waarin het door de een of andere oorzaak was ingemetseld. Het liedboek was ingenaaid in een stuk betekend perkament uit een getijdenboek. Een „roomse" omslag voor een reformatorische inhoud dus.
In dit Boskoopse liedboekje vinden we behalve psalmen van Datheen ook enkele psalmen van Jan Utenhove, wiens berijming eveneens in 1566 voltooid werd. We noemen psalm 128, die in het liedboek stellig een plaats heeft gekregen met het oog op huwelijkssluitingen. Uiteraard kende het overgrote deel van de preekgangers niet de melodieën van de psalmen. Om deze moeilijkheid uit de weg te ruimen oefende men zich soms voor dat de hagepreek zou beginnen in het samen zingen van psalmen onder leiding van een soort voorzanger. Dit was ondermeer het geval te Utrecht, waar de hagepreken meestal gehouden werden op een terrein tussen de boomgaarden bij de Tolsteegpoort. Een zekere Jacob Bollinck fungeerde daar als „opheffer der psalmen".
Oude psalmen vol zeggingskracht
In de psalmen, die tijdens de hagepreken over velden en akkers klonken, lieb-
ben de gereformeerden al hun droefheid, hun heilige verontwaardiging over de vervolging van Gods kinderen, hun nood en hoop, hun geloofsvertrouwen en hun twijfels uitgezongen. Ter illustratie geven we hier het eerste vers van psalm 46 in de berijming van Datheen en het zesde vers in de berijming van Utenhove.
Als ons de nood overvalt krachtig, Ons borgt en heil in God almachtig; Zulks bevinden wij in den nood, En hebben in Hem troost zeer groot. Dies vreezen wij in geenen dinge, Al waar 't dat de wereld verginge, En de bergen hen wierpen snel In 't midden der zee diep en fel.
Tot U aanschijn laet comen 't slichten der ghevangen en laet fijn Door U cracht vrij leven en vluchten, Die totter doot gheëyghent zijn, Wilt onse nabueren verghelden In luieren schoot, Heer, sevenvout Den laster, daer met si U quelden, En schant, di si U aendeden stout.
Geheel terecht is van deze berijmingen gezegd, dat zij rieken naar de tijd van de brandstapels. Wanneer U nog een Van der Peijl-uitgave bezit van de psalmen van Datheen, zouden we U willen aanraden o.a. te lezen Ps. 68 : 1, 10, 11, Ps. 59 : .1, 5, Ps. 20 : 1, 4, Ps. 42 : 1 en 5 en Ps. 138. In deze psalmen klinkt de echo door van de vervolgingstijd. Ondanks het kreupelrijm en de vele stoplappen heeft de berijming van Datheen op vele plaatsen een bijzondere, directe zeggingskracht. Deze psalmen spraken in 1566 de mensen aan in het diepst van hun bestaan. En vele geslachten van later tijd hebben uit deze berijming troost en bemoediging ontvangen.
De inhoud van de hagepreken
In de buitenpreken, die van één tot vijf uur (!) duurden, kwamen allerlei zaken aan de orde. De hoofdinhoud van de preken was echter — hoe kon het anders — de kern van het Evangelie, waarvan wc o.a. lezen in Efeze 2 : 8: Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave". Over deze tekst sprak Pieter Gabriël, „seer kleen ende swak van persoen" tijdens de bekende hagepreek bij Overveen. Dit Schriftgedeelte „verclaerde hij wel 4 uren lang met groote verwondering van een igelyck, dat deze tedere persoon in sulcken heeten sonneschijn als het doen was, sulcken arbeyt conde doen. Na de predicatie heeft hij vurich in 't gebet voor alle staten der werelt ende in sonderheyt voor alle de overicheden (= overheden) gebeden, so datter weynich drooge oogen gesien worden".
De preken hadden een sterk onderwijzend karakter, waarbij voor de hekeling van de roomse dwalingen ruimschoots tijd werd genomen. Heiligenverering, beeldendienst, en bijgeloof werden met een keur van Bijbelse argumenten bestreden. Vooral keerden de hagepredikers zich tegen het leerstuk van de mis. Over het ouweltje spraken zij bij voorkeur als „de broodgod", „de papengod Jan de Witte". Vaak hanteerden zij sprekende vergelijkingen en boeiende beelden om de dwaasheid van de paapse mis toe te lichten. Hoefsmid Pieter Cornelius van Diest b.v., die op 24 en 25 augustus een preek hield in de gereinigde Sint Jan te 's Hertogenbosch, een preek, waarin hij „de misse des Autaers schandelooselijcken van stuck tot stuck uytgeleyt heeft, gliclijckende de selve bij Apen oft Guychelspel, ende bij eenen Quacksalver, die salve te verkoopen heeft voor alle ghebreken".
Er zijn misschien lezers, die de terminologie van de hagepredikers wel wat al te kras vinden. Laten we echter wel bedenken, dat vrienden en familieleden van deze predikanten gehangen en verbrand werden, omdat zij tijdens de verhoren de vraag of de hostie God zelf
was, met een duidelijk neen hadden beantwoord. Laten we vooral ook vasthouden, dat de hele mis in de grond niet anders is „dan een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus, en een vervloekte afgoderij" (H.C. zondag 30). In de mis veranderen immers volgens de roomse leer brood en wijn dagelijks in het lichaam en bloed van Christus.
Wie ook maar iets beseft van de onuitspreekbare waarde van het éne offer van Christus, dat op Golgotha werd gebracht, kan en mag zich in geen andere bewoordingen over de mis uitlaten dan de catechismus doet.
Overigens vraagt de Heere zeker niet van ons, dat wij onze roomse medeburgers in onze werkkring of in het evangelisatiewerk met spotternij over de leer
van Rome zullen benaderen. Integendeel! Ook hier geldt, dat onze wandel zo moet zijn, dat anderen daardoor voor Christus gewonnen worden.
Houdt dit dan een veroordeling in van het optreden der hagepredikers? Ik meen van niet, daar zij als ambtsdragers in een zeer bijzondere situatie geplaatst waren, waarin het erom ging aan te tonen dat een afgod, dat de mis niets is. In soortgelijke omstandigheden verkeerde b.v. ook Elia op de Kannel, waar hij de afgodspriester vroeg of Baal wellicht sliep of misschien op reis was. In dergelijke omstandigheden, kan spot, wanneer het om een valse leer gaat, geoorloofd zijn.
Wij verkeren echter niet in een buitengewone situatie. We zijn noch hageprediker noch profeet. Daarom behoren wij de spot niet te hanteren als wapen. En als ons oordeel over de roomse mis wordt gevraagd, hebben wij ons te houden aan de woorden van de genoemde catechismuszondag, geen woord meer, geen woord minder!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1966
Daniel | 16 Pagina's