Doodsschaduw en levenslicht.
„En de doodsschaduw in de morgenstond veranderd." (Amos 5 : 8b).
God geeft van zich zelf een machtig getuigenis, niet alleen in Zijn Woord, maar ook in het rijk der natuur. Wie weet niet uit al deze dat de hand des Heeren zulks doet? Hij maakt het zevengesternte en de orion. Amos, de boer, wat heeft de Heilige Geest hem Gods grootheid doen zien in het leven van alle dag. Hij ontvangt een geheiligd verstand en wordt door de wonderen die hij om zich heen ziet, gedrongen te roepen van des Heeren grootheid in het rijk der genade. Zoek de Heere en leef.
Menigmaal zag hij, terwijl hij over zijn kudde waakte, de zon ondergaan. Dan werden de lichten aan 's hemels trans ontstoken en trad het sterrenheir te voorschijn.
Daar ziet hij de bekende sterrenbeelden, door God beschikt tot lichten des nachts. Wie roept ze elke avond weer tot het dienstwerk, wie houdt ze aan haar plaats? De Heere is Zijn Naam. Vader Abraham ontving het woord: „Alzo zal uw zaad zijn." Zijn macht volbrengt wat Zijn liefde belooft.
Ook heeft Amos menigmaal gezien hoe na een lange koude, donkere nacht de eerste morgenstralen het aardrijk weer groeten. Hoe het roofgedierte de holen weer opzocht en hun wreedheid staakte. Eindelijk, daar overwint het licht. De zon treedt als een bruidegom uit haar slaapkamer om het stikdonkere land te verlichten en de doodsschaduw wordt veranderd in de morgenstond. Dikwijls wordt dat woord doodsschaduw in de Schrift gehoord. Dan duidt het aan de ellende van het lijden en de nacht van de dood, de macht van de zonde en heerschappij van de duivel. De morgenstond is dan het beeld van bevrijding, redding, vrede en liefde. Het beeld is treffend. Er is wat lijden op de aarde en wij kunnen er maar niet aan wennen omdat wij niet geschapen zijn om te lijden. Het is het kruis dat vanwege onze zonden ons overkomt. Soms midden in ons werk zijnde, werpt God ons neer. Krachtig en gezond, in onze jonge jaren. Dan ineens komt daar tegenspoed, komen de doodssehaduwen.
Vooral wanneer de Heere Zijn aangezicht verbergt. Wat kan het dan donker worden als ons opstandig hart het waarom wil weten en de Heere geen antwoord geeft.
In die nacht gaan de roofdieren uit, het gehuil van satan wordt gehoord. „Hij heeft geen heil bij God." De zon-
den steken de kop op en wij kunnen er ons niet bovenuit worstelen. Met de dood voor ogen denken wij aan God, die Zijn gena schijnt te vergeten, die Zijn barmhartigheden door toorn schijnt te hebben toegesloten.
O, dit is Gods gewone weg met al Zijn kinderen, wanneer Hij ze gaat oefenen om door het geloof te leven. Meen niet dat het wèl met u staat, geliefde lezer, zo gij dit dal der doodsschaduwen niet doorgegaan zijt. Nee, niet om uw ontdekking te maken tot een grond van uw zaligheid. Maar omdat u alleen in deze weg kan worden afgebroken van al uw ongerechtigheden en gerechtigheden en opdat u zou gaan roepen: „Ontferm U mijner, O Heere".
Dan wordt genade zo'n zoete smaak. Dan gaan wij zo verlangen naar de dag. O, dan zijn wij verblijd al zien wij maar een straaltje van de nieuwe dag. Dan krijgen Gods toezeggingen zo'n waarde. Kortom, dan wordt het evangelie voor mij: „blijde boodschap."
Wie zal de blijdschap uitspreken die het hart overkomt wanneer de Heere zegt van ons af te weten en wanneer wij zien dat het verscheurend gedierte in Zijn hand is.
Dat Hij de smid schiep die de kolen in het vuur opblaast. Dat alle onze bestrijders smidsknechten zijn van de duivel die de blaasbalg mogen trekken voor het vuur waarin het goud gesmolten wordt. Maar dat de grote goudsmid zelf de smeltkroes in Zijn hand houdt. Welk een troost. „De dag is Uwe, maar ook is de nacht Uwe." Nu geloof ik toch dat Hij mij in de nacht niet zal laten omkomen. En bij het zien van die eerste stralen zingt mijn ziel: , , 'k Zal in de dageraad ontwaken en met gezang mijn God genaken." Hoe groot is het als een verlorene een kruimke te mogen ontvangen van het brood der kinderen. „In de grootste smarten blijven onze harten, in de Heer' gerust." En als die trouwe God dan eens gaat openbaren hoe het nu betamelijk met Zijn gerechtigheid kan, dat Hij zich over mij ontfermt, namelijk door mij van stap tot stap te onderwijzen van de doodsnood waarin Hij Zijn eigen Zoon liet afdalen. Want voor Hem waren het geen doodsschaduwen, voor Hem was het de dood in al zijn verschrikking.
}a, dan mogen wij hier het kruis wel eens aan het hart drukken en achter Jezus aan, het smalle pad bewandelen. Hebben wij dan geen zalig leven, geliefde lezer? Wilt ge uw schijnvreugde hiervoor niet prijsgeven? Dan moet u het weten dat, als dan straks de nacht komt, er nooit meer een lichtstraal volgt.
Wie kiest, o verdwaasden, voor 't leven de dood.
Ds. L. H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1966
Daniel | 16 Pagina's