Op de plaats van de buitenpreek
P reek ga ngers o nel er weg
Wie zich verdiept in het gebeuren van de zomermaanden van 1566 komt telkens weer onder de indruk van de grote moeite die men zich getroostte om toch maar een hagepreek te kunnen horen.
Toen midden juli een „preek in het groen" bij Overveen gehouden zou worden, ging men de dag daarvoor reeds op stap. Uit Amsterdam „liep het volck met sulcken meenichte na Haerlem toe, dat meest alle schuiten en wagens waeren met volck geladen; alzoo datter eenen grooten hoop volck des nachts op het velt mosten herbergen, alsoo datter geen meer logys te Haerlem noch te Sparen dam en was."
De regering van Haarlem dacht de hagepreek te kunnen beletten door de volgende dag de poorten gesloten te houden. Maar de begeerte om de „nye leere", de nieuwe leer te horen, maakte vindingrijk, gaf moed en krachten. Vele burgers sprongen van de stadsmuur af. Andere preekgangers zwommen de grachten over.
In de zuidelijke Nederlanden bracht men vaak keukengerei mee. Men kwam met wagens en karren met victualie (voedsel), met potten en ketels, met een spit en een vleeshaak. En als er twee heilige dagen op elkaar volgden — die vakantiedagen-van-de-middeleeuwen waren er bij tientallen — zag men er niet tegen op om 's nachts in het veld te blijven slapen. De volgende morgen ging men dan opnieuw de buitenpreek horen.
Kom ga met ons en doe als wij!
Op de dag van de buitenpreek zorgden de gereformeerden ervoor, dat iedereen de plaats van samenkomst kon vinden. Een ooggetuige van de hagepreek, die in de vroege morgen van 30 juni in de duinen bij Koudekerke op Walcheren werd gehouden, vertelt dat hij op een duin zag staan, „weevende met huer mutse, zekere persoenen voor de commende personen" die de mensen de weg wezen. Toen deze ooggetuige hen bereikte, kreeg hij te horen: „gaet die pat op, daer zal u 't Woerd Gods te rechte gepredickt worden" 1 ).
Soortgelijke goede diensten werden b.v. ook verleend op 21 juli in de omgeving van Gent, waar Hermannus Moded zou spreken. Tot ver in de omtrek stonden op alle wegen gereformeerden, die bezoekers de weg wezen en iedere voorbijganger uitnodigden om de preek van Moded te gaan horen.
In de openluehtkerk
Eenmaal aangekomen op de vergaderplaats gingen de vrouwen in het gras zitten. Voor adellijke dames en mevrouwen uit de deftige burgerstand werden zo mogelijk een paar banken neergezet. De mannen drentelden wat rond, spraken over de regeringspol itiek, de prediker, de uitbreiding van het Koninkrijk Gods. Sommigen gingen ook in het gras zitten, de meesten bleven echter staan, ook als de preek ging beginnen.
In het midden van de halve cirkel die door de bezoekers gevormd was, stond het spreekgestoelte, soms niet meer dan twee stokken in de grond met een dwarshout erop gespijkerd, zodat de prediker iets had om op te steunen. Enkele keren beschikte men over een ruwhouten getimmerte, dat wel wat weg had van een eenvoudige kansel. Waren de voorbereidingen heel precies geweest, dan had men met behulp van stokken
en wat touw boven het spreekgestoelte nog een zeil gespannen, „teneynde dat de predieant, daeronder schuylende, van den regen ende andere quat weere beschudt soude worden...."
Het gewapend geleide van de dominee
Bijna altijd blijft de prediker tot het laatste moment onbekend aan de menigte. Daar is reden voor. De overheid arresteert — als zij dat wil en er kans voor ziet — het liefst de ambtsdragers. Soms loven heel ijverige magistraten zelfs een som geld uit aan de man, die een haechpredicant dood of levend in hun handen speelt. Daarom hebben de predikanten meestal een soort lijfwacht. Dit gewapend geleide moet bij eventuele overvallen de prediker verdedigen, beschermen en zijn vlucht mogelijk maken.
Een man als Moded — heel gemakkelijk te herkennen aan een aantal kale plekken op zijn hoofd, veroorzaakt door ernstige haaruitval — komt bij de hagepreek van 30 juni bij Gent eerst uit het omringende struikgewas te voorschijn, wanneer het veld geheel bezet is met mensen. Hij wordt omringd door zeven gewapende mannen, die hem naar het spreekgestoelte leiden. Pas op het moment, dat hij de geïmproviseerde kansel opgaat, zien de mensen hun voorganger, een zeer welsprekend man, die „bijsonderlijk bequaem" is „om door sijn bevallig seggen" de hoorders te boeien. Vaak was het escorte heel wat sterker dan hier bij Moded. Guido de Bray en Peregrin de la Grange werden eens door 100 gewapenden naar de kansel gebracht. Ook zijn er gevallen bekend, dat een groep van 70 ruiters een prediker naar het spreekgestoelte begeleidde. Peregrin de la Grange had bovendien zo zijn eigen manier om de mensen duidelijk te maken dat de preek begon. Op zijn paard gezeten drong hij tussen de mensen door naar de katheder. Hier ging hij hoog in de stijgbeugels staan en schoot zijn. pistool af. Een wat opvallende wijze van doen misschien, maar een uitstekende manier om stilte te vragen aan duizenden mensen!
„Daer men psalmen begonst te singhen'
In elke kroniek die de hagepreken noemt of beschrijft, wordt steeds nadrukkelijk vermeld, dat de bezoekers gezamenlijk psalmen zongen. „Hoort, hoe sij nu beghinnen bij nachten in bosschen, haghen, velden, tussen berghen, in de duynen en elders opcnbaerlijck met veel duzenden te verghaderen, te predicen ende te singen'. Deze uitroep is afkomstig van Broer Cornelis, een fanatiek rooms geestelijke, die o.m. op 4 juni in een sermoen heftig te keer gaat tegen de „Calvenisten Hacchpredicanten".
En de ooggetuige van de eerste liagepreek op Walcheren vond in een duinvallei een „groote vergaderinge van volck, wel nae zijn duncken, tot dryehondert sterek; vindende 't zelve volck in 't gemeene overluyt singende eenige lofsangen in Duytsehe (Diets, Nederlands)".
Dit zingen der psalmen, afkomstig uit de gereformeerde eredienst in Straatsburg en Gcncve, was volkomen nieuw voor roomse oren. Hier nam de hele „hagepreekgemcente" deel aan de eredienst, terwijl in de roomse kerk de leek totaal niet aan de godsdienstoefening deelnam. Gezamenlijk zingen kende men eenvoudig niet. In het gunstigste geval was er een koor dat de plechtstatige gregoriaanse liederen zong in onverstaanbaar Latijn.
En nu hoorde de toeschouwer van de „preeken in liet groen" honderden mensen in hun eigen taal de psalmen zingen op aansprekende melodieën. Dit heeft op do tijdgenoten grote indruk gemaakt.
Voor een volgend artikel blijft de vraag staan waaruit en hoe de preekgangers dan de psalmen hebben geleerd. We
hopen dan ook aandacht te vragen voor de inhoud van de hagepreken. Nog een keer gaan we dus naar de plaats van de buitenpreek.
1) De bijzonderheden in dit artikel over de hagepreek bij Koudekerke — de eerste in de Noordelijke Nederlanden — zijn ontleend aan een goed gedocumenteerd artikel in de P.Z.C. van 2 juli j.1.: „Eerste hagepreek was in Dishoek". Graag vestigen we de aandacht van onze Zeeuwse lezers op dit artikel.
Lezers buiten Zeeland zal ik heel dankbaar zijn, wanneer zij mij artikelen uit de pers zouden willen sturen met gegevens over hagepreken en beeldenstorm in hun eigen streek of provincie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1966
Daniel | 16 Pagina's