Walcheren
Wij stegen op de stenen treden, al lager zonk het zomerland. Wij stonden stil . . . toen lag beneden: een schaal in Gods geduchte Hand, het eiland, dat in ver verleden in zee verrees uit klei en zand.
De huizen groepen om de toren en boomgewas beschut elk hof. De boer loopt langs zijn rijpend, koren, dat zijn verwachting overtrof. De zomerzang zingt in zijn oren, het leeuwrikslied van louter lof.
En achter ons het onbewuste en rusteloze zeegedein, dat altijd klaagt als 't aan de kusten zich overgeeft in laatste pijn; dat eenmaal moegewoeld zal rusten, wanneer de zee niet meer zal zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1966
Daniel | 16 Pagina's