JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De engel van het laatste oordeel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De engel van het laatste oordeel.

4 minuten leestijd

(Uit „Chimera's" door Martien Beversluis)

In deze rubriek zijn al verscheidene gedichten besproken van Beversluis, zodat deze dichter geen onbekende meer is. Nu ik van verschillende kanten merkte, dat velen van het overlijden van Beversluis niet afwisten, voel ik mij gedrongen alsnog in een paar woorden hiervan mededeling te doen en een gedeelte van een gedicht van hem te laten volgen.

Om acht uur in de morgen van de achttiende februari van dit jaar is hij zacht gestorven, hij, die zo'n warm voelend hart had en die zijn gevoelens zo schoon kon verklanken in welluidende woorden en sprekende beelden. De laatste twintig jaren moest hij worden doodgezwegen en vandaar komt het, dat in bloemlezingen weinig of niets van hem te vinden is. Zo komt het ook dat over zijn overlijden geen grote artikelen in de bladen zijn verschenen. Toch was hij door het hele land bekend en overal had hij zijn vrienden. Dit bleek mij ook, toen ik in de „Hervormde kerkbode" van de klassis Harderwijk een artikel las van dominee Doornenbal. Daarin las ik „De tocht ging door het schoonste deel van Walcheren, „de tuin van Zeeland". Van nabij zag ik de toren van Gapinge, waar dichtbij mijn vriend Beversluis in het vroege voorjaar zijn laatste rustplaats heeft gevonden."

Tot het laatste van zijn leven schreef hij nog. De laatste maanden ging hij echt sukkelen met zijn lichaam, maar zijn geest bleef helder. Hij reed op zijn bromfiets door het wijde Walcherse land, dat hem zo lief was geworden. Nu en dan stapte hij af, omdat hij iets zag of hoorde, dat het opschrijven waard was. Thuis zou het verder uitgewerkt worden. Maar dat uitwerken ging niet altijd vanzelf. Hij moest de toon en de beeldspraak vinden. Dan gebeurde het, dat hij eerst bad om de gave te mogen ontvangen om datgene te zeggen wat hem bewoog.

Maar nu over het gedicht, waarover ik het had. Toen hij met zijn vrouw enige tijd in Parijs vertoefde, werd hij getroffen door de dreigende spookgestalten op de transen van de Notre Dame; de chimera's, die op de mensenwereld beneden neerzien. Van elk beeld kwam een gedicht, zoals over de angst, de paniek, de vraatzucht, de verzadigden, enzovoort.

J. D. Bierens de Haan schreef in de inleiding van de „Chimera's" o.a.: „De bundel Chimera's vertoont een breder gebaar dan onze tijdzangen, want hier wordt niet het oordeel uitgesproken over het tijdperk waarin wij leven, doch om de tijdelijkheid in het. algemeen, en slechts in zoverre zijn deze gedichten tijdzangen, dat het sterk bewustzijn van ontwrichting en ontsporing, waaruit zij voortkomen, nauw samenhangt met het specifieke tijdsbewustzijn van onze dagen. Wordt dan deze dreiging door de monsters niet als bijzonder kenmerk des tijds, maar als algemene gesteldheid van het menselijk zielsleven aangemerkt — dan is de tijdzang uit zijn bijzonderheid tot algemeenheid verheven; en hierin zie ik het eigenaardige dezer gedichten; zij tonen de benauwenis van onze tijd op het plan der algemeenheid."

Het zou wel zin hebben om over elke chimera iets te citeren; als ik me niet vergis, zijn er 35 uitvoerige gedichten over de monsters in deze bundel te vinden. Voor deze keer één van de laatste: de engel van het laatste oordeel:

Wee over U! Zij is gevallen de grote stad van Babyloon. Zij werd een woonstee met demonen en kwaad gevogelte op haar wallen. Wee, wee, de grote, sterke stad! de stad, waaruit de schatten stromen; de paarlen en safieren dromen, de paarden met hun gouden tomen, de troon waarop de koning zat wee, wee, het oordeel is gekomen!

Wee! Want de volkeren der aarde hebben de wijn des toorns gedronken. De wellust zit, hoog en beschonken van 't bloed der heilige en profeten op een scharlaken veld te paarde. Wee, alle volkeren dezer aarde!

Wee, al de koningen, die hoereren en zullen strijden met het Lam; hun woningen gaan in as en vlam hun wapenen zullen het niet deren. Wee, wee, het sterke Babyloon, de grote stad gaat overlenen ten afgrond, brekende in stenen. En weggenomen is alle loon, kooplieden zullen om haar wenen.

De wijngaard van de wereld is rijk en bezwaard van welige trossen. Maar werp ze in de pers en treedt om van clit bloed u te verlossen. Aanzie het stroomt over de aarde. Het zoet werd bitter bij het treden. Het bloed van Bethlehem tot heden reikt tot de tomen van de paarden. Aanzie! De sikkel zend ik neder. En alle oogst valt af en dort o wereld! deze wijnpers wordt in al uw Staten al getreden.

Het hele gedicht bestaat uit 105 regels, die in deze toegemeten ruimte niet geciteerd kunnen worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1966

Daniel | 16 Pagina's

De engel van het laatste oordeel.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1966

Daniel | 16 Pagina's