Schriftoverdenking
Toen anwoordde Job de IIeere en zeide: ie ik hoi te gering. (Job 39 : 36, 37).
Zo iemand, dan had voorzeker Jol) het recht gehad, te zeggen: Ik ben niet te gering: want volgens het getuigenis van God Zelf was hij „een man, oprecht en vroom, God vrezende en wijkende van het kwaad". En nochtans horen wij deze uitstekende heilige, nadat hij licht genoeg ontvangen had om zijn eigen staat voor God in te zien, uitroepen: „Zie, ik ben te gering, ik ben onwaardig, dat Gij mijner gedenkt."
Moest nu Job dit van zich zelf getuigen, dan voorzeker zullen wij allen, hetzij wij kinderen Gods zijn of niet, die verklaring op onszelven moeten toepassen; en indien wij deelgenoten zijn der goddelijke genade, dan wordt het voor ons een zaak van groot aanbelang, dat ook wij, hoewel wij wedergeboren zijn, een ieder voor zichzelven moet uitroepen: „Zie, ik ben te gering, ik ben onwaardig, ik ben onrein."
Het is de leer der Heilige Schrift dat de mens, al is hij ook door de genade Gods verlost van de zonde, nochtans niet geheel en al gereinigd is van het inwonend verderf des harten. Wanneer wij in Jezus Christus geloven, zijn wij de vergiffenis van al onze zonden deelachtig geworden; nochtans heeft de zonde, al wordt zij ook verzwakt en ten onder gehouden, door de heerschappij der nieuwe natuur door God in ons gewerkt, geenszins al haar kracht verloren, maar doet zich nog steeds in ons gevoelen en dat zal blijven tot onze dood toe. Al de rechtzinnigen komen daarin overeen, dat ook in de wedergeborene de begeerlijkheden des vleses in liet hart blijven woelen en dat degene die door de genade Gods van de zonde bekeerd zijn, de kracht van het verderf der oude natuur blijven ondervinden.
Het is geen lichte zaak de grenslijn tussen deze oude en de wedergeboren natuur duidelijk aan te geven. Er is een natuur in de christen, die niet kan zondigen, dewijl zij uit God geboren is — een geestelijke natuur, onmiddellijk uit de hemel afkomstig, even zuiver en volmaakt als God Zelf, Die daarvan de Schepper is — evenzeer echter is er nog in diezelfde mens die oude natuur die, door de val van Adam, gans en al onrein, bedorven, zondig en duivels geworden is. Er blijft in het hart van de christen nog steeds een natuur, die niet doen kan hetgeen recht is voor God, evenmin als zij daartoe in staat was vóór de wedergeboorte, die even boos is als toen — even zondig, even vijandig tegen de wet Gods als immer — een natuur die, gelijk boven gezegd is, weliswaar door de nieuwe natuur in een grote mate wordt gefnuikt en tenonder
gehouden, maar geenszins vernietigd zal worden, zolang de tabernakel dezes lichaams niet verbroken is, zolang de christen nog niet is ingegaan in die stad, waarin nimmer iets zal inkomen dat verontreinigt.
G. II. Spurgeon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1966
Daniel | 16 Pagina's