JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Zending van de Broedergemeente

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zending van de Broedergemeente

5 minuten leestijd

Gods werk op Groenland

Professor Kraemer heeft eens geschreven: „De kleine Broedergemeente deed in 20 jaar meer dan de hele Protestantse Christenheid in twee eeuwen deed." Misschien nemen wij deze uitspraak met een korreltje zout, maar als wij weten wat de Herrnhutters voor de zending hebben gedaan, dan moeten wij wel aannemen dat professor Kraemer niet heeft overdreven. Tot 32 verschillende volken heeft de Broedergemeente haar zendboden uitgezonden. Op het ogenblik tellen haar gemeenten onder de heidenen een paar honderdduizend zielen. Meer dan drie duizend dienaren en dienaressen hebben overal in de wereld gewerkt tot nu toe. Naar alle kanten van de wereld werden ze uitgezonden, onder de moeilijkste omstandigheden.

Wij hebben gehoord van het werk van de eerste zendelingen op St. Thomas. Ongeveer in dezelfde tijd waren Broeders op Groenland aangekomen. Dat was in het jaar 1733. Twee neven, Mattheüs en Christian Stach, werden begeleid door de timmerman David. Deze was de eerste geweest die in Herrnhut met de bouw van huizen was begonnen.

Zonder buidel en zonder male trokken ze heen naar het onbekende land. De burgerij van Kopenhagen zorgde voor de noodzakelijkste dingen, zoals hout voor de bouw van een huis, warme kleren en levensmiddelen en ook een kachel, die in dat barre noorden zijn diensten wel zou kunnen bewijzen.

Nu kunnen wij wel gaan fantaseren over liet verblijf van die moedige mannen dicht bij het poolgebied, maar wij kunnen beter luisteren naar hetgeen Stach erover verteld heeft:

„Wat wij er gezocht hebben, vonden wij er, namelijk heidenen, die van God niets weten, zich ook om niets anders bekommeren dan om zoveel mogelijk zeehonden, vissen en rendieren te bemachtigen. Zij trekken derhalve van de ene plaats naar de andere, waar zij maar menen de meeste te kunnen vangen.

Dit volk willen wij aantonen dat er een God is en dat er een Jezus is en dat er een Heilige Geest is — en wij kennen hun taal niet. Wij willen hen bezoeken — en wij weten niet waar zij wonen. Zij wonen nu eens hier en dan weer daar, zodat wij hen nog niet hebben kunnen achterhalen.

Hun taal en hun ganse wezen is zo anders, dat men hen ook niet met wenken en tekens iets aan het verstand kan brengen. Dit betekent wel terecht: Verlies maar de weg, alleen niet het geloof."

Wij zouden ons kunnen afvragen: waarom al die moeite en ontberingen, waarom al dat ploegen op rotsen? Maar de zendelingen dachten er anders over. Zij hielden vol en pasten zich aan de levensgewoonten van de Eskimo's aan. Zij kleedden zich ook in pelzen en aten zeehonden en vis, alsof ze nooit van hun leven iets anders hadden gesmaakt.

Een jaar na hun aankomst kregen ze versterking door de komst van twee andere Broeders uit Herrnhut, namelijk Frederik Böhnisch en Johann Beek. Met z'n vijven gingen ze nu voort om terrein te winnen voor het Koninkrijk van God. En gaf de Heere een geopende deur? Niet aanstonds; pas in 173S,

na vijf jaren van de grootste inspanning, kwam de eerste Eskimo tot bekering. Laten wij Staeh hierover horen: „Johann Beek was juist bezig iets van de vertaling der evangeliën in het net te schrijven. De heidenen wilden gaarne weten wat dit" boek inhield. Hij las hun iets voor en nam de gelegenheid te baat een gesprek met hen te voeren. Hij vroeg hun of zij een onsterfelijke ziel hadden.

Zij antwoordden „ja". Waar clan hun ziel zou heengaan wanneer hun lichaam stierf? Enkelen zeiden: „Naar boven"; anderen: „Naar beneden". Na enige terechtwijzing vroeg hij hun wie hemel en aarde, de mensen en al het zichtbare had gemaakt. Zij zeiden dat zij dat niet wisten en er ook nooit van gehoord hadden; dat het wel een zeer groot en zeer rijk heer moest zijn.

Daarop vertelde hij hun hoe God alles en in het bijzonder de mensen goed geschapen had en hoe zij uit ongehoorzaamheid van Hem waren afgevallen en in de uiterste ellende en verderf waren terechtgekomen. Hij had Zich over hen ontfermd en was mens geworden, opdat Hij zou kunnen lijden en sterven en de mensen verlossen. In Hem moesten wij geloven, wilden wij zalig worden.

Bij deze gelegenheid zette de Heilige Geest deze Broeder er toe aan, hun het lijden en sterven van Jezus met veel nadruk voor ogen te stellen en hij vermaande hen met bewogen hart, toch te bedenken, hoeveel het de Heiland had gekost, dat wij verlost zijn, dat zij toch hun hart als zijn zo moeizaam verdiend loon Hem niet mochten onthouden, daar dit Hem de dood met zo vele wonden en bloedvergieten had gekost; ja zulk een zieleangst, dat Hem het bloedige zweet uitgedrukt werd.

Hij las hun daarbij uit het Nieuwe Testament het verhaal van 's Heilands lijden in Gethsémané voor, waar Zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen.

Toen opende de Ileere het hart van een man, genaamd Kajarnak. Deze trad op de tafel toe en zei met een luide, bewogen stem: „Wie was dat? Zeg mij dit nog een keer, want ik zou ook zo gaarne zalig willen worden."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1966

Daniel | 16 Pagina's

Zending van de Broedergemeente

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1966

Daniel | 16 Pagina's