JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een rubriek voor en van onze jeugd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een rubriek voor en van onze jeugd

5 minuten leestijd

We beginnen met:

JULIANUS DE AFVALLIGE (3)

De tempel in Jeruzalem is verwoest. De I-Ieere Jezus had dat voorzegd en nu wil Julianus wel eens zien of dat wel waar is. „Ik zal er wel voor zorgen dat die profetie van Jezus niet uitkomt; niet Jezus, maar ik ben de sterkste, de machtige, " zo sprak Julianus. Als alles klaar is kan het bouwen van de tempel beginnen.

„Aan het bouwen, " roept Julianus, „de Tempel zal er komen, hij zal uit de puinhopen herrijzen." Dan op eens komt er een geweldige aardbeving en de half voltooide tempel stort in elkaar.

„Opnieuw beginnen, " beveelt Julianus grimmig. Weer beginnen ze, maar dan is het voorgoed klaar, grote vlammen slaan uit de grond, Wervelwinden barsten los en alles ligt weer in puin. Ja, het wordt zo erg dat niemand meer werken kan.

Julianus had zich heel erg vergist om te zeggen dat hij de sterkste was.

Hier moet Julianus een geduchte nederlaag lijden. De Nazarener heeft toch overwonnen. Keizer Julianus wil het Perzische rijk veroveren, want Perzië bedreigt steeds de grenzen in het oosten. Julianus heeft zijn plannen al weer klaar. Eerst zal hij de Perzen verslaan en dan zal hij de kerke Gods uitroeien.

De heidense tempels blijven bijna leeg en dat moet niet. „En toch moet dat veranderen, " sist Julianus.

Daarna gaat Julianus naar Antiochië. Als hij daar komt laat hij de afgodstempel weer opbouwen en opent de deuren maar er komt er maar één. Het is een oude man met een gans om te offeren.

Enige dagen later brandt de pas herstelde tempel af, omdat een priester onvoorzichtig is geweest met vuur, maar daar wil Julianus niets van weten. Dit hebben de Christenen gedaan, daarom moeten alle Christelijke kerken gesloten worden.

Het geld dat gevonden wordt in de kerken wordt gestolen. Ja, het wordt erger en er vloeit weer martelaarsbloed.

Maar voor dat er een vervolging uitbreekt zal hij toch eerst de Perzen verslaan. In deze tijd vroeg een heiden aan een eenvoudig Christen: „Wat maakt die timmermanszoon van jullie tegenwoordig? " Met die timmermanszoon bedoelt men spottend de Heere Jezus. De Christen kijkt hem aan en zegt dan: „O, Hij maakt een doodkist voor jullie keizer!" Heeft die eenvoudige Christen er een voorgevoel van gehad dat God er een eincl aan zal maken? Nu leek het er nog niet op. Eén en andermaal worden de Perzen verslagen. Enige verstandige officieren zeggen hun keizer om nu terug te keren en zich niet zo ver in het vijandelijk land te wagen.

Maar Julianus beslist en zegt: „Nee, voorwaarts, voorwaarts!" Ze gaan door en trekken door eindeloze droge hete vlakten. Moeizaam zeulen ze voort, het drinkwater raakt op, de soldaten gaan morren.

Tandenknersend geeft Julianus tenslotte bevel om terug te trekken. Daarop hebben de Perzen gewacht. De Perzische soldaten overvallen de wagenburcht van de Romeinse legers; het wordt een woeste strijd. Julianus snelt ten strijde; hij gunt zich niet eens tijd om zijn wapenrusting aan te doen. Midden in het strijdgewoel treft een pijl de keizer in de borst.

Dodelijk gewond stort Julianus op de aarde. Ze dragen hem zo gauw het maar kan naar een veldtent, maar het is te laat. Enige uren later sterft Julianus. Sommige schrijvers zeggen dat hij zijn vuisten balde en uitriep: „Galileër, Gij hebt toch overwonnen!" Of het waar is kan niet met zekerheid gezegd worden. Eén ding is waar, Jezus Christus heeft werkelijk overwonnen. Julianus stierf en hij moest voor

Gods geduchte rechterstoel verschijnen. God had gesproken: tot hier toe en niet verder.

Julianus stierf op 32-jarige leeftijd. Julianus was een rijk begaafd man, Gocl had hem een helder verstand gegeven. Hij had een goed keizer kunnen zijn. Hij misbruikte zijn gaven en zijn krachten. Hij misbruikte ook zijn helder verstand. Men heeft hem een vreselijke bijnaam gegeven. Hij staat opgeschreven als: Julianus de afvallige.

Mien Slabbekoorn

Wolphaartsdijk.

Hartelijk dank, Mien, voor je bijdrage. En nu maar weer aan het schrijven. Ik heb een voortdurend gebrek aan goede opstellen. Nu een gedeelte van

DE ENGELSE DOG (3)

De dienstmaagd, al gaat zij terust, Is niet op haar gemak; Zij zag veel liever deze man, Ofschoon z' er niets van zeggen kan, Niet onder 's meesters dak.

Hoe onverklaarbaar 't haar ook was, De slaap ontvlood haar oog. Met angst en vrees is zij bezwaard En luistert of zij niets ontwaart Beneden of omhoog.

Daar naakt het uur van middernacht. Zij hoort de vreemde heer Zo zacht en stil het moog'lijk scheen Uit zijne slaapverblijfplaats treen. Nu scherpt zij 't oor nog meer.

Weldra verneemt zij het getrap van paarden en zij hoort, Dat die hun woning nadrend zijn. „Nu is mijn vrees niet langer schijn", Gaat zij in stilte voort.

Zij hoort daarbij een vreemd gefluit Weerklinken in het rond. Het vensterraam, al is het dicht, Wordt opgeschoven en gelicht. Hoor, stemmen in het rond.

Iets is er, dat verwondring baart Bij haar, bij al wat dreigt. D.e hond, nooit door geen vrees vervoerd Hoort zij niet dat zijn tong verroert De trouwe Dog die zwijgt.

Een half uur lang hoort zij in huis Gefluister en gewoel En daarna wordt het weder stil, Zij hoort dat men vertrekken wil Bereikt schijnt reeds hun doel.

De trouwe dienstmaagd staat nu op Bedaart wat van de schrik En bij de heldre lamplichtglans Ziet zij de secretaire thans, Geopend voor haar blik.

Nu treedt zij op de slaapplaats toe Van haar mijnheer en vrouw Schudt beiden wakker en zegt wis Al wat er voorgevallen is In 't pastoriegebouw.

Zij gaan nu saam de trappen af En zie, wat wat zien zij daar? Een stuk papier op 't tafelblad Waarop hij dit geschreven had. Gans duidelijk en klaar.

Ik ben een Roverhoofdman, en Het doel waartoe ik kwam? d' Onlangs door U geërfde som Te maken tot mijn eigendom, Nadat ik z' U ontnam.

(wordt vervolgd)

Ten Anker weg 10, Tholen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1966

Daniel | 16 Pagina's

Een rubriek voor en van onze jeugd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1966

Daniel | 16 Pagina's