JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGEN N.A.V. „HET GEZIN IN ONZE SAMENLEVING”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGEN N.A.V. „HET GEZIN IN ONZE SAMENLEVING”

10 minuten leestijd

4

Een van de ouders kwam met het volgende naar voren: „Mijn dochtertje heeft er de laatste tijd zo'n hekel aan om naar de kerk te gaan. Wat moet ik daaraan doen? " Ja, hoe oud is dit meisje? Wanneer ik uit het woord „dochtertje" mag opmaken dat het nog een schoolkind is, dan is daarop een ander antwoord nodig dan voor een meisje dat al bezig is volwassen te worden. Allereerst komt in beide gevallen weer het voorbeeld van de ouders. Gaat U onregelmatig naar de kerk? Slaapt U 's zondagsmorgens nogal eens uit? Zwerft U van de ene kerk naar de andere of loopt U dominees na? Zegt U op een van deze vragen ja, dan moet U in ieder geval beginnen met hierin verandering te brengen. Is er 's zondags een vaste regelmaat die niet door vader of moeder doorbroken wordt en gaat het kind van jongsaf mee naar de kerk, dan weet het niet beter of „zo hoort het op zondag". Dan zal het wel eens tegensputteren, maar zoals het iedere dag op tijd uit bed moet en daar ook wel eens geen zin in heeft, zo weet het ook zondag de tijd van opstaan, ontbijten en naar de kerk ? aan.

Moeilijker wordt het echter wanneer de kinderen ouder worden. Hierover vraagt een moeder: „Hoe handel je met een kind tegen wie je zegt „het mag niet" en het dan toch doet? Of je het nu met liefde of hardheid probeert, hij luistert niet". Deze vraag kan op allerlei moeilijkheden slaan, dus ook op de kerkgang. Het is vaak moeilijk om een situatie ineens te veranderen. De verhouding tussen ouders en kinderen kan zó scheef gegroeid zijn, dat bij het volgen van een advies nog geen direct resultaat zichtbaar wordt. Als vader en moeder b.v. niet één lijn trekken of wanneer het kind ondervonden heeft dat het met zeuren uiteindelijk z'n zin wel krijgt, dan boeten de ouders aan gezag in. Vader en moeder moeten dezelfde weg volgen en duidelijk zijn in hun opvoeding. Het kind wil immers weten waar het aan toe is. Ik weet nog wel dat wij vroeger ook wel eens geen zin hadden om naar de kerk te gaan. De enige oplossing was dan dat je je ziek hield. Maar vonden vader en moeder dat wat verdacht, dan mocht je ook na kerktijd niet gezellig beneden koffie komen drinken, maar je moest rustig en alleen boven op je kamertje blijven. En daarmee was natuurlijk je hele zondag verknoeid. Dan ging je 's middags maar weer mee naar de kerk. Het kind vraagt om duidelijkheid en eenheid. Hiermee wil ik echter niet beweren dat alle moeilijkheden aan een verkeerde opvoeding te wijten zijn, vooral niet als een jongen of meisje zo tussen de vijftien en twintig zit. Dan gehoorzamen ze niet zo zondermeer en hebben de ouders dus ook meer tact nodig. Slaag en straf roept bij het oudere kind alleen haat en wrok op. Daarom is op deze leeftijd een gesprek het beste. Dit schrijft een van de dames ook: „Ik heb eens ernstig met m'n zoon van vijftien gesproken en nu gaat hij trouw naar de kerk".

Maar ook dan zullen er ouders zijn die zeggen: „Dat heb ik al zo vaak gedaan, maar het helpt niet". En dan ziet het er naar uit dat U hier machteloos tegenover staat. In zekere zin is dat zo, maar niet helemaal. Bedenk dat uw kind U kritisch gadeslaat. Probeer daarom zelf altijd oprecht en eerlijk te zijn, ook en vooral in uw geestelijk leven. Laat er geen volkomen scheiding zijn in uw leven van alledag en dat van zondag.

Blijf altijd open staan voor uw kinderen en bid veel voor hen.

Tenslotte nog iets over de traditie en de zondagsviering. Aangaande de traditie heb ik kennelijk nogal kritische geluiden laten horen, zodat twee dames het voorbeeld der Rechabieten aanhaalden, die om hun gehoorzaamheid een speciale vermelding krijgen. Inderdaad is dat zo en daarom heb ik ook later de keerzijde laten zien door voor te lezen wat Luther over het vijfde gebod heeft gezegd. Maar met m'n kritiek bedoelde ik het volgende. De oudere generatie moet er voor oppassen dingen te beweren die ze zelf niet doordacht hebben. Daardoor ontstaan geboden en verboden die ze zelf niet kunnen motiveren. Ze weten dus zelf niet waarom ze het zo willen, maar hebben het klakkeloos van anderen overgenomen. De jeugd vraagt naar het waarom van alles, vooral wanneer vriendjes en vriendinnetjes een andere levensstijl hebben. En U moet zeker Uw oudere kinderen de ruimte geven hun eigen stijl te bepalen, want iedere tijd is weer anders en vraagt ook een andere aanpassing. U kunt niet zonder meer alles met vroeger vergelijken. Er is zoveel wat niet tot het wezenlijke behoort en dat wordt bepaald door de tijd waarin wij le-

ven. Al doet het U wat vreemd aan, daarom hoeft het nog niet verkeerd te zijn.

De jeugd heeft recht op een eigen leefwijze, als deze haar wortels maar in Gods Woord heeft. Om een voorbeeld te noemen: Riet en Jaap gaan trouwen. De ouders van Riet zijn tegen de A.O.W. Ze verlangen van hun dochter dat deze hun standpunt deelt. Riet gehoorzaamt haar ouders en stemt ook tegen. Voor Jaap is dit echter nooit een probleem geweest. Zijn ouders hebben hierin geen kwaad gezien en genieten van hun oude dag.

Maar Riet en Jaap moeten samen leven en samen ook later hieromtrent hun standpunt bepalen. Blijft Riet haar ouders trouw, maar kan ze haar standpunt verder niet motiveren, dan wordt het een belachelijke situatie. Ieder moet bij zichzelf nagaan waarom hij een bepaald standpunt huldigt. Verder houdt de mens dikwijls graag aan het oude vast, omdat hij bang is anders z'n gezicht te verliezen. En daarom probeert hij het dan ook op z'n kinderen over te dragen. Maar de jeugd neemt dit niet en dat is ook niet nodig, als het wezenlijke maar niet wordt aangetast.

In dit licht heb ik ook de zondagsviering willen stellen. Geen mens, ook geen predikant, is er toe in staat te zeggen wat wel en niet mag. Dan komen we met dezelfde vragen als die de Farizeeën aan de Heere Jezus stelden. Dan gaat het om de uiterlijke dingen: „lerende leringen die geboden van mensen zijn".

Maar de Heere Jezus heeft altijd op de kern van de zaak gewezen: liefde tot God en tot de naaste. Dan mag het geen probleem zijn of je op zondag mag wandelen en of je wel vrienden en vriendinnen in huis moet halen op die dag.

De ouders moeten proberen deze dag voor henzelf en hun kinderen tot een feestdag te maken. Vader en moeder gaan dan niet voor hun eigen genoegen uit, terwijl ze de kinderen thuis laten. Ook ontvangen ze geen bezoek waar de kinderen niets aan hebben. Gezelligheid, aandacht voor elkaar, goede gesprekken, fijne boeken en mooie muziek brengen sfeer in huis. Dan kan ieder gezinslid lichamelijk en geestelijk tot rust komen om in een goede stemming en met een warm hart de nieuwe werkweek te kunnen beginnen. Ik weet wel dat dit wat idealistisch gesteld is, maar ik geloof toch wel dat de Heere ons daarom deze rustdag gegeven heeft en dan moeten wij daar ook naar streven.

En als er zo'n sfeer in huis is, zullen de kinderen hier altijd met plezier aan terugdenken. Ook al rijden ze dan eens een verkeerde schaats, op deze manier is de kans op een goed resultaat van uw opvoeding het grootst.

S. T. van Malkenhorst-Visser.

Welwillend en gastvrij Een wijkplaats in de pastorie Al weet hij niet in 't minst voor wie Zijn deur ontsloten zij.

Gulhartig wordt voor hem gezorgd Op christelijke wijs. Zo minzaam als het moog'lijk is Verdeelt hij aan de avonddis Met hem zijn drank en spijs.

En wijl men samen eet en drinkt En spreekt, komt het gesprek Al waar 't van zelve voor de dag Hoe eenzaam 's leraars woning lag Verwijderd van het vlek.

„Zijt gij ten allen tijd gerust? ", Vroeg hem de vreemde gast. „En zijt gij nooit door vrees gekweld? Beducht voor boosheid en geweld En 's mensen overlast? "

„O, neen", antwoordt de leraar hem. „De allerhoogste God, Die ons tot heden heeft gespaard, Altijd goedgunstig heeft bewaard. Wij dienen naar 't pebod.

Die trouwe wachter Isrels waakt En slaapt noch sluimert niet. Hij houdt steeds over ons de wacht, Daar hij zowel bij dag als nacht Ons Zijn bescherming biedt.

En bovendien heb ik een hond Van zuiver Engels ras, Een trouwe dog, die ons bewaakt, Ons wekt als er een vreemd'ling naakt. Uw komst ons meldend was."

Nu nam de leraar 't Bijbelboek En las een heerlijk lied, Waarin vorst David Gode roemt, Die alles schiep uit niet. Psalm vierendertig leest hij luid, Waar Isrels zanger meldt: God is een hoorder van 't gebed, Die armen uit benauwdheid redt, Zijn volk ten hulpe snelt. Hoe Hij Zijn Eng'len wacht steeds schaart Rondom elk, die Hem vreest: Hoe Hij nabij is en beschermt 't Gebroken hart, dat tot Hem kermt, Verslagenen van geest.

En nadat hij dit psalmlied las Vouwt hij de handen saam En buigt voor Davids God zich neer En nadert biddend tot de Heer In Jezus Christus naam.

Hij draagt zich in Gods Hoede op, Van Zijne macht bewust, Vergeet daarbij de vreemd'ling niet, Die hij een veil'ge schuilplaats biedt En allen gaan terust.

(wordt vervolgd)

JULIANUS DE AFVALLIGE.

Constantijn de Grote is gestorven en zijn rijk wordt in drie delen verdeeld, voor iedere zoon een deel. Eén van die zonen heet Constantius. In plaats dat de broers in vrede met elkaar leefden voerden zij bloedige oorlogen; zij trokken met geweldige legers tegen elkaar ten strijde. In één van deze oorlogen sterven twee zonen van Constantijn en blijft Constantius alleen over om het romeinse rijk te besturen. Nu had hij eindelijk zijn zin.

De stad Nicomedië lag dicht bij Constantinopel en was een tijdlang de hoofdstad geweest. Maar Constantijn de Grote had Constantinopel laten bouwen en dat was nu de hoofdstad geworden. Toch bleef Nicomedië een grote belangrijke stad; er stonden prachtige gebouwen, waaronder ook een grote mooie kerk, die nog niet zolang geleden gebouwd was.

De vervolgingen waren nu voorbij en de christenen hadden op het ogenblik rust; de heidense tempels waren overal gesloten en het offeren aan de afgoden was verboden. Wie dit toch waagde zou gedood worden.

De deuren van de nieuwe kerk in Nicomedië staan wijd open en van alle kanten stromen de christenen toe om te luisteren naar de prediking van Gods woord. Nu is er geen gevaar meer. Als alle plaatsen zijn ingenomen treedt er een jonge man de kerk binnen en leest de gemeente een gedeelte uit de Bijbel voor. Deze voorlezer heet Julianus. Allen kennen hem want hij is een neef van de keizer. Doordat zijn ouders vroeg gestorven waren is hij van kleins afaan door zijn oom opgevoed en ook in de christelijke leer onderwezen. Als Julianus het hoofdstuk gelezen heeft gaat hij zitten en luistert aandachtig naar de prediking. O, niemand twijfelt er aan of Julianus is een vrome christen. Maar toch...

(wordt vervolgd)

Dit opstel is van Mien Slabbekoorn uit Wolphaartsdijk. Het is nogal lang Mien, dus moet het in gedeelten geplaatst worden. Zo jongelui, de ruimte is vol. De hartelijke groeten en tot de volgende keer.

C. de Bode

Ten Ankerweg 10, Tholen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1966

Daniel | 11 Pagina's

VRAGEN N.A.V. „HET GEZIN IN ONZE SAMENLEVING”

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1966

Daniel | 11 Pagina's