LEZERS OVER HUN WERK
Een student.
Wij, jongeren
„Hoewel student-zijn geen beroep is, maar een opleiding daartoe, wil ik toch iets daarover schrijven." Zo begint de brief die we kregen van een jongere van onze gemeenten die aan een Rijksuniversiteit studeert. We willen hem graag verder aan het woord laten, want onder onze lezers zullen er zeker ook zijn die op een H.B.S. of Gymnasium zitten en overwegen of ze ook zullen gaan studeren en in welke studierichting. Zij vooral willen graag weten wat hun clan te wachten staat. Maar laten de anderen deze brief niet overslaan, want het zal juist duidelijk worden dat studenten het begrip van de andere gemeenteleden zo hard nodig hebben. En andersom kunnen de gemeenten veel hebben aan „eigen mensen", die de gaven en de mogelijkheden gekregen hebben om van allerlei vragen grondige studie te maken en zodoende straks voorlichting kunnen geven. „De vragen en moeilijkheden", zo gaat de brief verder, „liggen op het terrein van de studie, de omgang met de medestudenten en de verhouding tot de eigen kerkelijke gemeente. — Allereerst
De studie.
Het probleem geloof—wetenschap staat hier in 't middelpunt. In de geschiedenis-studie komt de vraag op je af „Waar is God in de geschiedenis, in het wereldgebeuren, Hij Die toch de Heere der wereld is? " Het lijkt zo vaak of het wereldgebeuren door menselijke factoren wordt bepaald, die bijna noodwendig tot een bepaalde ontwikkeling voeren. „Waarom al dit leed, waarom wereldoorlogen, waarom Vietnam", zijn vragen die benauwen. „Is God niet onrechtvaardig als Hij zoveel mensen van 't evangelie verstoken laat, want God is toch soeverein? "
Ik weet dat deze vragen niet legitiem zijn en dat het Woord hier antwoorden op geeft (Rom. 9 : 14, 20, Hand. 17 : 23-31, Rom. 11 : 33-36, D.L.I. 1, 2, 3, e.a.) maar deze vragen worden je wel opgedrongen. Vragen in andere studies zijn: e ouderdom van de aarde i.v.m. het scheppingsverhaal, de evolutie-gedachte, de wetenschappelijke benadering van het Woord en de Schriftkritiek, euthanasie etc. etc." Het is natuurlijk niet mogelijk dat wij op al deze problemen ingaan. Maar wel willen we juist hier van de gemeente begrip vragen. Wie geschiedenis, wie biologie, wie medicijnen studeert kan niet om deze vragen heen. En wie zich erin verdiept wordt soms zwaar geschud. Hij zou niet de eerste zijn die het geloof in de Schrift verloor, of levenslang kritisch bleef. En wie erdoor komt met de bede „Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand", zal het toch Asaf nazeggen: Mijn voeten waren bijna uitgeweken". Elke zondag wordt er gebeden voor de jongens die in militaire dienst zijn, zou dit in de betreffende gemeenten ook niet kunnen voor onze studenten die op een heel ander terrein het minstens even moeilijk kunnen hebben? Opdat elke student over zijn moeilijkste tijd zou kunnen zeggen: Dit duurde tot ik Gods heiligdom inging". Want daar liggen de antwoorden. Ook kunnen daar de vragen weggenomen worden, of zij verliezen hun scherpte. En die antwoorden zijn geen logische of goedkope oplossingen. Op onze vraag, bij voorbeeld, „waarom zijn zoveel mensen verstoken van het Evangelie? " horen we niet zonder meer iets over Gods Raadsbesluit, maar krijgen wij als antwoord de opdracht: Gaat dan heen, onderwijst alle vol-
ken". En cle vraag „Waar is God in het wereldgebeuren? " krijgt weer een dubbel antwoord: inderdaad, God is er meestal niet te vinden, want.... Hij wordt door het merendeel van Zijn schepselen buiten alles gehouden; en tegelijk is het waar van Christus: Hij is de overste van de Koningen deiaarde!
Het grote woord: roeping.
„Ik zie de studie niet in tegenstelling tot de zondag", vervolgt de briefschrijver. „De talenten die je hebt gekregen gebruik je immers in je studie en juist het bezig zijn met de genoemde vragen geeft je het besef van iets te doen, van roeping, om dit grote woord dan te gebruiken om de vragen die zich aan je voordoen niet te ontwijken, maar erop in te gaan. Als toekomstig leraar is dit nog duidelijker en moet dit tot uiting komen in de eigen benadering van b.v. de voortgang van het Evangelie, de Reformatie, de zendingsbeweging. Je mag dan iets meer meegeven dan dor feitenmateriaal. Bovendien kun jc als mens voor je leerlingen iets betekenen.
Wat de omgang met de mede-studenten betreft, ligt de zaak misschien nog moeilijker. Je kunt felle debatten voeren over de absoluutheid van de Schrift, de betekenis en uniekheid van het Christendom, de persoon van Christus Zelf, maar de ervaring leert dat je hier niet zoveel verder mee komt, omdat je dan beiden posities gaat innemen, i.p.v. naar de ander te luisteren. Slechts een persoonlijk getuigenis, een in alle opzichten Christelijke levenshouding (waar je zelf nog mee worstelt en naar zoekt!), luisteren naar en begrijpen van de ander kunnen tot vruchtbare gesprekken leiden. Heel belangrijk is dan ook het gebed voor de ander. Hoe vaak blijf je hier niet in gebreke!!
Je hebt elkaar nodig
Vrienden zijn onontbeerlijk omdat je zelf ook contact nodig hebt. In de C.S.F.R. worden problemen die wij door de studie opgedrongen krijgen, besproken. Vooral de bijbelkringen zijn heel belangrijk: gezamenlijk het Woord lezen en met elkaar over het geloof spreken. Ik geloof dat deze instelling van bijbelkringen ook in gemeenteverband veel vrucht kan hebben. Door dit vaak diepe onderlinge contact sta je ook sterker naar buiten. Je hebt elkaar nodig".
Voor lezers die het niet weten: de C.S.F.R. is een vereniging van studenten zowel uit onze gemeenten als uit
gemeenten van de Geref. Bond, de Chr. Ger. Kerken en kleinere aanverwante groepen. De doelstelling is grondige studie van de eigen levensbeschouwing en die van anderen. Als we toekomstige studenten deze vereniging aanbevelen is dat niet uit propaganda, maar uit dankbaarheid dat deze vereniging bestaat en jongeren uit onze kringen opvangt als ze ineens voor alle genoemde vragen komen te staan, en dan ook stimuleert om het ontvangene uit te dragen.
Opbouwend.
Tot slot komt de briefschrijver op de verhouding van studenten en de gemeenten waartoe zij horen. Hij zegt: „In het algemeen krijg je door je studie een kritische houding, ook t.a.v. de eigen kerkelijke gemeente. Van beide zijden bestaat dan soms ook onbegrip. Het moeilijke is dat er nog zo weinig academici in onze gemeenten zijn, die onze moeilijkheden kunnen aanvoelen en door hun ervaringen ook hierin verder gekomen zijn. Juist deze mensen hebben wc zo hard nodig. Gelukkig treedt hier geleidelijk wel wat verandering op. Ook wij moeten begrip hebben voor bepaalde gegroeide situaties, al hoeven we ze dan nog niet goed te keuren. In de eerste plaats uit dankbaarheid moeten we ook hier opbouwend bezig zijn".
Met dat laatste zijn we bijzonder blij. Aan kritiek zonder meer heeft niemand iets. Maar des te meer aan jonge leden die, als de jonge Mozes, door het geloof Christus verkiezen boven een topfunctie en — om het in de woorden van de Catechismus te zeggen — „hun gaven tot nut en tot zaligheid van de andere gewillig en met vreugde aanwenden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1966
Daniel | 16 Pagina's