JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Jaarvergadering Bond van Jeugdverenigingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jaarvergadering Bond van Jeugdverenigingen

DE REFERATEN

10 minuten leestijd

Referaat van Ds. L. Huisman: „HET DIENEN VAN GOD".

Dominee begon met het voorlezen van een aantal verzen uit Genesis 4: de geschiedenis van Kaïn en Abel. Daarna sprak hij ongeveer als volgt:

In deze geschiedenis zien we twee mannen samen aan het werk. 's Avonds in de tent bespreken ze hun werk. Dan spreken ze ook over God. Vader weet heel veel van God. Ze weten het: Je moet God dienen.

Waarschijnlijk is Kaïn het eerst begonnen met offeren. Hij beseft Gods zegen nodig te hebben en is tevreden wanneer hij zijn offer gebracht heeft. God is tevreden gesteld en hij kan weer aan 't werk. Abel ziet het: Ja, zo moet het. Maar.... wat zal hij de Heere geven? Wat is geschikt? 't Is voor God, dan mag je eerst wel goed nadenken. Eindelijk offert hij het beste wat hij heeft.

Zo zien we twee mannen die beiden iets voor God doen. Eén ervan, Abel, is blij en zingt een danklied aan God. De andere ziet het en wordt nijdig: op Abel, ja op God.

Dat kwam omdat bij Abel godsvrucht was, dat is: een gevoel van onze ziel, ontstaan uit een gewaarwording van God. Voor Kaïn is God een hard heer, die „het Zijne" moet krijgen. Hij kent alleen angst. Zijn godsdienst is eigenlijk geen godsdienst maar dienst aan zichzelf.

Het volk Israël leefde vaak zo: De Heere kreeg Zijn deel en verder leefde het voor zichzelf. Het hield er een soort afbetalingssysteem op na. Terwijl het toch wist wie de Heere was en hoe Hij was. Het wist dat God geen Boeddha, geen Allah was, maar als een Vader zorgde voor Zijn volk.

Wel, als Vader erkende Kaïn hem niet en Abel wel. Abel kende hem als de genadige en barmhartige God en nadert tot Hem met schroom: Zou ik 't beste voor de Heere uitgekozen hebben?

Uit deze godsvrucht volgt de ware godsdienst. De heidenen kunnen dat niet. Zij dienen hun goden veelal om

iets van ze te krijgen. Bij Israëls Gods is het andersom. Hij geeft eerst, geeft alles, geeft Zijn Zoon, opdat het volk Hem zou dienen.

Zo was de verhouding van Abel tot God principieel anders dan die van Kaïn tot God. Zonder de Heilige Geest is er geen godsvrucht en ware Godsdienst.

Voor „dienst" is nodig een wederzijdse bewilliging. Wie dient moet zich houden aan de regels. Wil hij zelf uitmaken hoe hij dienen wil dan is het geen dienen meer.

Ja, maar de Heere behoeft toch niet van mensen gediend te worden? Inderdaad, maar wanneer de Heere dat zegt, slaat het vooral op de heidense godsdienst. Zo wordt God niet verheerlijkt. Toch wil Hij, maar dan zoals Hij wil, door mensen geëerd en gediend worden. Ja, zegt u weer, maar bij dienen denk ik aan loon.... Nee, zo moeten we het niet zien. Denk aan de verhouding van kind tot vader. Het kind heeft zijn vader lief en doet daarom iets voor hem. Zo is het bij de dienst van God ook. Die gewilligheid is een gave van de Heilige Geest.

De Heere vraagt: Wilt u mij dienen? Hij kon ons dwingen, maar Hij verzocht het. Erskine zegt dat Jezus' zwaarste woord is geweest: „Komt!" „Komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt en leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.... en neemt Mijn juk op u." Dat Hij dat vraagt is geen zwakheid. Johannes begreep dat echter ook niet direkt.

Welk juk vraagt Jezus dan? Wel, Zijne geboden. Die zijn niet zwaar. Samengevat in één gebod vraagt Hij: liefde. De liefde komt van God en keert weder tot God. „Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad." Wel moet deze liefde geleid worden door de wil. Gods Woord leidt en sterkt deze wil. Het wekt ook de liefde. Dan gaan we zeggen: „Heere wat is het beste dat ik U geven kan? " Dan gaan we Hem dienen uit boetvaardigheid. Kaïns en Farizeeërs zijn tevreden met de letter. Zij vragen: „Wat ontbreekt ons? " Ook onder ons komt dat veel voor. Vast houden aan allerlei geboden en verboden, allerlei regels en toch in diepste wezen vasthouden aan zichzelf.

Dan krijgen we pseudo-christenen, die bij God aangenaam willen zijn door hun doen en laten.

Christus gaf het voorbeeld: barmhartigheid uit een rein hart, en geen offerande. Liefde vraagt Hij. Hij ging in liefde tot het einde. Hij gaf zich tot in de dood. Nu vraagt Hij aan zondige mensen niet: Wat heb je verdiend, maar: Wat heb je nodig? Zeg dan tot Hem: „Hier ben ik, alleen kan ik niet verder." Gods werk in Christus vraagt om een antwoord. Ook jullie antwoord!

Dominee Huisman liet na zijn lezing zingen Ps. 73 : 13 en 14, waarna hij de morgenvergadering besloot met gebed. De middagvergadering werd om kwart over 2 geopend door ds. Schipaanboord, welke liet zingen Ps. 119 : 3 en 5 en voorging in gebed.

Referaat van de lieer Segers: „DE DIENST AAN DE NAASTE"

God dienen en je naaste dienen vormt een eenheid. Het hoort op het terrein der dankbaarheid. Hierbij moeten we direkt bedenken: „Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen." Eerst geloof, dan hoop en liefde. Voor de buitenstaander is het andersom: Die oordeelt naar de liefde: „Hieraan zullen zij allen weten dat gij mijne discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander."

Het dienen van de naaste behoort tot de goede werken. Deze geschieden uit het geloof, naar Gods wet en tot Gods eer. (H.C.) Paulus stond daarin tegenover de Griekse wijsgeren en wij tegenover de humanisten. Zonder geloof kun je geen goed werk doen. Ons leven moet een dankoffer zijn. Dat gaat zo maar niet.

Dit laatste zeggen we vaak bij de Avondmaalsgang. Maar vergeet niet dat je ook „zomaar niet" kunt spitten, of studeren, of verplegen. Ja, maar dan kunt je niet leven. Juist dan kun je niet leven, of.... je moet kunnen zeggen: „Ik leef en niet meer ik...."

En het tweede daaraan gelijk is: Hebt uw naaste lief als uzelf. In het liefhebben van de naaste openbaart zich de gehoorzaamheid aan het eerste gebod. Je naaste dus liefhebben „als jezelf". Denk erom, dit is geen „gebod tot eigenliefde."

Bekering is „omkering." Dan ga je God zoeken en je naaste. En wie je naaste is dat zegt Gods Woord weer: de barmhartige Samaritaan gedroeg zich als de naaste, waarna Jezus zegt: „Ga heen, doe gij desgelijks." Je naaste, dat is je buurman, je collega, je klasgenoot, dat is de lijdende, de hongerende, de van-God-vervreemde.

Dit „dienen" van vanmiddag is van andere orde dan dat van vanmorgen. God vraagt dat we onze persoon en gaven overeenkomstig Zijn wet ter beschikking stellen van de naaste. We zijn dienstplichtig, we worden geroepen, Christus te volgen, onszelf te verloochenen.

De belangrijkste vraag is: „Wat vindt God dat mijn naaste nodig heeft? " In India is mijn naaste niet alleen gebaat met eten, meer nog met Gods Woord. Maar.. ook weer niet alleen met Gods Woord, want anders kan hij dat van de honger niet lezen. Ik denk aan een gedicht met het volgende slot: „Mijn rechter buurman is vannacht gestorven, en ik heb geen woord tot zijn behoud gezegd." Dat is ontzettend. Misschien heb je wel 10 keer de tuin van die man omgespit. Zie je wel dat het geen uitstel velen kan. We moeten eenvoudig worden als de kinderen. Een kleuter vroeg aan zijn vriendje: „Hou jij van de Heere? " Dat is evangelisatie. Niet het systeem van „lekker zwijgen, " want ik heb geen geloof.

De Catechismus zegt dat de naaste door een Godzalige wandel al voor Christus kan gewonnen worden. Dus zelfs zonder woorden. Maar.... door je wandel kan hij ook verloren gaan. Besef dat.

In dit verband denk ik allereerst aan het gebed. Dat vind je zo mooi terug in de Catechismus, wanneer het gaat over het allervolmaaktste gebed. Telkens vind je dan de woorden: „ons", „wij", „wij en alle mensen", „ons, arme zondaren." Dan je geld niet te vergeten. „De armen hebt gij altijd met u." We zijn rentmeesters. We werken toch „opdat we de nooddruftigen helpen mogen? " Wat een perspectief kent dan je loonsverhoging!

En op welk terrein je dit alles mag doen? Wel, in het gezin, in de kerk en in de maatschappij. Als leden der gemeente roept God ons om profeet, priester en koning te zijn. Hij roept allen op om de gaven van hoofd en hart in dienst van Zijn Koninkrijk te besteden, ook op de vereniging, ook in de onderlinge bijeenkomsten, ook in het opzicht uitoefenen over elkaar. En denk eens aan het werk der evangelisatie en zending.

Verder behoef je heus niet allemaal verpleegster of zendeling te zijn hoor. Ieder heeft zijn eigen gaven. Wat zou de maatschappij zijn zonder metselaars, of stenotypistes? Zou God die mensen niet kunnen gebruiken? Vanzelf moet je dan niet het standpunt huldigen: „Spreek vrijmoedig over Veronica, Beatles e.d. en misbruik ook Gods naam."

Geef maar door: „Zoekt en gij zult vinden." Ja, maar er is niemand die God zoekt. Inderdaad, maar Hij zoekt het verlorene. Hij zegt zelf: „Ik ben gevonden van degenen die naar Mij niet zochten." In Hem is alles mogelijk.

Spreker besloot met het lezen van 1 Petrus 4 : 7—11, dat als volgt begint: En het einde aller dingen is nabij; weest dan nuchter en waakt in de gebeden."

Forum.

Tijdens het zingen van Psalm 25 : 6 werden de vragen op de beide referaten opgehaald. Deze werden beantwoord door een forum o.l.v. ds. IL Rijksen, met als leden ds. L. Huisman, ds. C. Harinck, de heer Segers en de heer Kwekkeboom.

In deze vragen kwam o.a. aan de orde: de gerichtsprediking van Johannes de Doper, Christendom tegenover humanisme, het zoeken van je eigen zaligheid, evangelisatie, bevinding in de prediking en de dode rechtzinnigheid. Nadat namens mijnheer van Kranenburg uit Merksem was attent gemaakt op de werkkampen die van 23 juli—19 augustus daar gehouden zullen worden dankte ds. Rijksen allen die aan het welslagen van deze Bondsdag meewerkten.

De heer Hoogendoorn bedankte voor de woorden tot hem gesproken, alsmede voor het geschenk en zei blij te zijn met zijn opvolger.

Slotwoord ds. C. Harinck.

Tijdens het zingen van Psalm 138 : 3 en 4 werd er weer gecollecteerd. Intussen had ds. C. Harinck plaats genomen op de preekstoel voor zijn slotwoord: k meen u, nadat wij samen gesproken hebben over „Dienen en dienst", een dienst te bewijzen door kort te zijn. Ik wil jullie dit meegeven: Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is te doen, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren om te doen." Jezus snijdt alle wortel der eigengerechtigheid af. Het gaat niet om loon. Het hoogste wat een mens bereikt is: en onnutte dienstknecht zijn. Een oud Christen zei eens: edere dag moet ik weer nullen schrijven, al maar nullen. Maar dan wil de Heere er die grote Eén wel eens voorzetten. Zo is het. Als je de balans opmaakt zet dan maar nullen. Verder kom je niet, opdat je aan het einde komt van jouw dienen en daar een dienende Jezus vindt die zegt: aarmee kan ik je dienen?

Ds. Harinck gaf nog op om te zingen Ps. 122 : 1 en sloot daarna de Bondsdag met dankgebed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1966

Daniel | 16 Pagina's

Jaarvergadering Bond van Jeugdverenigingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1966

Daniel | 16 Pagina's