TERUG
(Uit: „Reservaat" van Ilelena Wolthers)
Vanaf het uur dat de verboden vrucht in Eden werd begeerd en genomen, beantwoordt de schone schepping van God niet meer aan het doel dat de Heere er mee vóór had. Het verstand van de mens werd verduisterd en de wil verkeerd. Op de aarde lag de vloek, zodat er dorens en distels groeiden. De mens werd vijand van zijn Schepper en ging in haat en nijd leven met zijn medemens. Daarbij komt nog dat de gevallen mens, verdwaasd als hij is, het goede gaat zoeken op de verkeerde plaats. De lege ziel moet verzadigd, maar die verzadiging wordt gezocht in het schijngenot en in de vreugde die niet uit God is.
Uit dat gevallen mensdom zijn er die bewerkt worden door Gods Geest en die uitzien naar het blijvende goed, het goed dat bestendig is: de gemeenschap met God. Deze zoekende mensen worden vreemdelingen op aarde en hebben hun vaderland elders. Voor hen zal het een voortdurende strijd uitmaken om dóór een wereld, die vijandig is tegenover God, met ere te gaan. Zij zullen zich bij de voortduur moeten hoeden om niet besmet te worden door de zonden, die hen zo dag bij dag omringen. Als Lot kwellen zij hun ziel als ze de zonden horen en zien van hen, die uitroepen: „Wijk van mij, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust." En toch moeten zij, die heilig voor God willen leven, het leven dóór. Zij mogen zich niet opsluiten, maar zij moeten hun licht laten schijnen en zij moeten zijn als een stad op een berg. Geen wonder, dat het wandelen op de weg des Heeren een gaan op de smalle weg wordt genoemd. Het is alzo een onwerkelijke wereld, een wereld, waarop twee soox'ten mensen wonen.
In „Reservaat" van Helena Wolthers staat een gedicht, dat over die twee wegen gaat; over het leven in deze boze wereld. Het heeft tot titel „Terug" en luidt als volgt:
Onwerkelijke wereld! Over 't kerkplein tuimelen paren naar de buurten, waar huis aan huis de rode lampen hen lokken tot verraad.
Zingende uit de koele schemer omzweven ons de laatste orgeltonen O, tegenspelers: rust en rampen!
Nu weer op straat zetten wij aarzelende voeten; terug, terug — wij moeten over een smalle brug.
Er is al meer op gewezen dat we een gedicht niet bij eerste lezing dóór hebben; er ligt veel meer in opgesloten dan wij op het eerste gezicht zouden denken. Daarom zijn er zoveel vragen over te stellen, die niet iedereen op dezelfde wijze zal beantwoorden.
Is een gedicht goed, dan zal er ook goede beeldspraak moeten zijn en de gebruikte woorden moeten passend zijn, zó, dat het niet anders gezegd kan worden.
Zo is het hier. De paren wandelen niet of lopen, maar tuimelen. Zij worden er naar toegetrokken en als wij zien hoe liederlijk vele paren in het openbaar lopen, dan is het geen wandelen meer. Daar komt nog bij, dat het best kan zijn, dat zij niet meer bij hun volle verstand zijn, maar beneveld door de wijn en sterke drank. Zij gaan immers naar de buurten waar de rode lampen branden. Merk op: rode lampen. Rood is onveilig. Die huizen deugen niet; zij lokken tot verraad; wie er binnen treedt komt op een plaats die niet goed is.
Op een kerkplein staat een kerk. De deuren gaan open en geen uitbundig licht straalt naar buiten: koele schemer, zegt de dichteres. En uit die geopende deuren zweven de laatste tonen van het kerkorgel. Achter die orgeltonen staan een paar puntjes. Dat is wel iets om over na te denken. In enkele regels is de grote tegenstelling getekend. Wij worden geconfronteerd met de tegenspelers: rust, die de kerk uitgaat en de rampen, die uit de huizen komen met de rode lichten, de danszalen en bioscopen, de plaatsen die vol verraad zitten en onze ziel verderven.
De kerkgangers zijn uit de kerk op straat gekomen. Zij gaan niet tuimelend als de paren, maar met aarzelende schreden. Zij moeten het leven in en door; zij moeten terug naar de werkelijkheid. Daar, in Gods huis was het zo goed; daar hadden ze wel willen blijven, zoals de discipelen op de berg, waar de Heere Jezus van gedaante werd veranderd. Terug, het leven in, het leven vol strijd en verleiding. De weg door de wereld vol zonde is moeilijk: wij moeten over een smalle brug. Als wij op een brug lopen kunnen we links noch rechts; het is een rechte weg, een gebaande weg. Wij mogen ons niet op zijpaden begeven, maar één doel voor ogen hebben.
Als wij na deze korte toelichting het ge-
dicht nog eens overlezen, zal het wel iets duidelijker geworden zijn. Hoe het gedeklameerd moet worden, kan niet op papier worden uitgelegd. Zij, die het goed aanvoelen, zullen de juiste toon treffen en de goede accenten geven. Ook de rusten zijn van veel belang als wij een gedicht ten gehore brengen. Ook hier geldt: het is de toon die de muziek maakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1966
Daniel | 16 Pagina's