VERTROUWEN, EEN GOUDEN KLEINOOD
(Vervolg)
Ik weet wel van een meisje, dat tot driemaal teleurgesteld werd in mensen die ze vertrouwde, en dat zover kwam dat ze niemand meer vertrouwde. Ze was het heel erg met David eens als hij zegt in Ps. 115: „Alle mensen zijn leugenaars". Dat er vóór staat: „Ik zeide in mijn haasten", zag zij over het hoofd. Het heeft heel lang geduurd eer zij weer kon geloven dat er, door 's Heeren goedheid, behalve haar ouders óók nog andere mensen waren die het goed met haar meenden.
Ik heb dit even aangehaald om de jongeren aan te raden niet al te snel met hun oordeel te zijn en alle mensen over één kam te scheren, en de ouderen te waarschuwen om de jeugd toch altijd eerlijk en betrouwbaar tegemoet te komen.
Zo zijn we ongemerkt bij het vertrouwen in de samenleving terecht gekomen.
Het vertrouwen is ook hier een gouden kleinood. Dit blijkt wel uit de antipathie die er zelfs op school al bestaat tegen jongens en meisjes die je niet kunt vertrouwen. En wat is het een grote weldaad dat de Heere ons nog zoveel vertrouwen in de samenleving schenkt, terwijl er toch van ons geschreven staat: „dat het gedichtsel van 's mensen hart alleenlijk boos is van zijn jeugd aan".
Als we de dokter roepen, vertrouwen wij ons aan hem toe. Als wij iets hopen vertrouwen wij dat het goed is. Onze kinderen vertrouwen wij toe aan onderwijzers en onderwijzeressen.
Hoe ligt alles niet uitgestald in zelfbedieningszaken, ik weet wel dat er heus wel eens iets gestolen wordt, maar dit wordt altijd met verontwaardiging gehoord. Zo zou ik door kunnen gaan met heel veel dingen uit de samenleving waarin wij elkaar vertrouwen.
Toch zijn er anderzijds heel veel dingen die dit vertrouwen schaden, en dan bedoel ik niet openbare oplichterijen, diefstallen, bedriegerijen enz. maar van die ogenschijnlijk „kleine" dingen die dit vertrouwen schaden. Als wij bijv. lichtvaardig iets beloven en niet nakomen of op allerlei manieren onze naaste benadelen. Wat denkt u bijv. ervan, als u een dochtertje van een melkhandelaar hoort vertellen dat haar vader zo goed een gebroken fles in elkaar kan passen en meegeven naar de fabriek om aldus een kwartje te ontvangen. Dit is maar één voorbeeld, één van de vele dingen die helaas óók onder Christelijke belijders voorkomen en die het droevige spreekwoord in de wereld gebracht hebben, dat je met fijnen en motregen moet oppassen.
En wat zijn wij dikwijls onwaar in onze verontschuldigingen, hoe gemakkelijk wordt er soms niet gezegd: „ik heb geen tijd", terwijl men soms geen lust had om te komen. Terwijl ik dit voorlees moet ik de hand in eigen boezem steken, met schaamte en verlegenheid, want wie gaat in dezen vrijuit? en het oog des Heeren doorziet al onze bedoelingen.
Wij lezen in Gods Woord: Van de man des bedrogs heeft de Heere een gruwel. En ook voor de leugentjes „om bestwil" en voor de kleine jokkentjes geldt het woord: Gij zult de leugensprekers verdoen.
Doch genoeg hiervan. Veel mooier om te bezien is het kinderlijk vertrouwen.
Ik bedoel hiermee het Godsvertrouwen dat vaak bij kinderen gevonden wordt, die al vroeg geleerd hebben over de Grootheid en Almacht Gods, en dat de Heere het
horen en verhoren wil als wij bidden.
U zult allen de geschiedenis wel kennen van dat kleine meisje dat mee naar de kerk ging toen er een bidstond gehouden zou worden om regen bij een langdurige droogte, en dat haar paraplu meenam. Toen men haar vroeg waarom zij dit deed, terwijl de zon toch scheen, antwoordde ze: Wij gaan toch bidden om regen. En wat denkt u van een kleine jongen die langs een paadje moest waar een grote hond vervaarlijk stond te blaffen, en die nadat hij stilletjes gebeden had of de Heere net wilde doen als bij Daniël, rustig er op af stapte. De hond droop af en deed hem niets.
Hoe heeft het mij ontroerd wat ik een keer meemaakte in de trein, dat, toen de conducteur de kaartjes knipte, een meisje aan haar moeder vroeg of hij de baas van de trein was, en toen haar moeder neen schudde, doorvroeg wie dan wel? Haar moeder zei wat afwezig: „ik weet het niet". Prompt zei haar zusje: „De Heere natuurlijk meid, Die is toch de Baas van alles". Dit vertrouwen is iets om jaloers op te zijn, maar komt dikwijls voort uit het historisch geloof of uit het wondergeloof. Het kón echter ook een kinderlijke openbaring zijn van het echte geloofsvertrouwen waar we nu nog iets over willen zeggen.
(Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1966
Daniel | 16 Pagina's