LEZERS OVER HUN WERK
Wij, jongeren
Onze voorraad brieven van lezers over hun werk is nog niet op. Af en toe komt er nog weer één binnen. Toch hopen we op nog meer brieven, want lang niet alle beroepen hebben een beurt gehad. Zijn er onder de lezers nog verpleegsters, bouwvakarbeiders, studenten, huishoudelijke hulpen of jongeren met nog andere beroepen, die ons over hun werk zouden willen schrijven? We zullen nog even de vragen noemen waar het vooral om gaat. Vind je het werken door-deweek een grote tegenstelling met de kerkgang en de hele zondag? Heb je het gevoel dat je als lid van onze gemeenten op je werk alleen staat? Heb je op je werk wel eens gesproken over het geloof? Maar ook: zie je het werk dat je nu doet ook als roeping? En vind je het niet moeilijk om juist in dat beroep Christen te zijn?
Een onderwijzeres
Maar nu de brief van deze keer. Hij is van een onderwijzeres. Ze schrijft zonder omwegen:
„Het zit mij vaak dwars dat wij mensen van dezelfde kerk zo langs elkaar heen leven. Als wij uit de kerk komen en we hebben echt iets aan de preek gehad, met wie kan je er dan eens over praten? Ze zeggen ja en nee, en daar mee is het af.
Er wordt vaak gezegd: „de mensen van de Ger. Gem. zijn dom." Hoe zou dit komen? Wij durven ons moeilijk uit te spreken, want er wordt al gauw gezegd: „die durft, die denkt ook wat van zichzelf." Er wordt bij ons in de kerken veel bevinding gepreekt, en vaak weinig schriftverklaring. Hoe zouden wij de Schrift verstaan indien wij geen uitlegger hebben?
Kom je in de week een ouderling of dominee tegen, waar je graag eens mee zou willen praten, het gaat meestal over de dagelijkse dingen. Dan moet ik zeggen dat we vaak nog beter met mensen van andere kerken kunnen praten. Die hebben ook een bredere basis. Ze durven beter te praten over de godsdienst, al ben ik het dan lang niet altijd met ze eens, maar onze mensen zwijgen. Je gaat steeds meer inzien dat je maar niets van mensen moet verwachten. Uiteindelijk staat ieder alleen. Ook op de school van eigen gemeente heb je weinig kontakt met elkaar. Mijn ervaring is dat er weinig belangstelling en weinig meeleven is onder de kollega's. M'n werk op school vind ik een roeping. Wij moeten niet alleen 's zondags christen zijn maar vooral ook in ons dagelijks leven. Veel voor anderen zijn, en veel voor anderen doen (wat helaas bij ons ook maar matig is), maar het geeft zo'n voldoening. We moeten een voorbeeld zijn voor de klas, niet alleen met woorden, maar ook met daden. Kinderen aanvoelen wanneer ze het moeilijk hebben. Dan met ze praten. Er komt dan band, er wordt kontakt gelegd, " — zo besluit onze briefschrijfster.
„Onze mensen zwijgen"
Deze brief gaat wel verder dan de vragen die hierboven staan, maar toch wilden we er nu op ingaan. Want het zijn belangrijke dingen uit het gemeenteleven, waar iedereen mee te maken heeft. Gebrek aan contact is niet iets wat de schrijfster alleen treft, maar je komt het vaak tegen, heel duidelijk, of in veel dingen op de achtergrond. Zeggen we teveel als we dit een nood in veel van onze gemeenten noemen? Het gaat niet om kritiek te leveren, maar om in liefde over deze nood te spreken. Net als
de schrijfster hebben velen het er moeilijk mee dat de mensen van dezelfde gemeente zo vaak langs elkaar heen leven. In de kerk luisteren ze samen naar hetzelfde Woord. Maar toch voel je je zelfs in die gemeente alleen. Er is geen contact. En als de kerk uitgaat sta je nog meer alleen, hoewel je omringd bent door de mensen. Met wie kun je nu praten, vrij praten? We kunnen dit laatste ook anders stellen: Wie durft er vrij te praten? Ligt er niet vaak een druk op de gemeenteleden om over de dingen van Gods Koninkrijk te spreken? Want.... — en wat de schrijfster zegt is zeker waar — als je wat zegt denken ze meteen iets van je. Zo is er een angst gegroeid, terwijl er veel mensen zijn, die zo graag eens „gewoon" met elkaar zouden willen praten. Waarom wél over alle dingen van de „wereld" praten en dat wat toch misschien diep in ons hart leeft, verstoppen! Zo blijft er toch een leegte in de omgang met elkaar. Ook al kan het contact uiterlijk nog zo mooi en goed zijn.
Waarom zou dat niet kunnen veranderen? Is het, vooral van de ouderen, wel wijs om meteen maar bij een ander te willen speuren naar geestelijk leven? Ieder zal zich dan toesluiten, want zodra iemand ook maar iets uitlaat, voelt hij de ander denken: zou die bekeerd zijn, of zoekende? Niet dat dit niet belangrijk zou zijn! Maar kunnen we dat voor een ander niet beter aan de Heere overlaten? En dan met de ander omgaan als met iemand die over deze dingen ernstig nadenkt, ze althans belangrijk vindt, (— en als dat niet zo is, ze belangrijk moet vinden!) Het is zo moeilijk om elkaar helemaal te begrijpen en te kennen. En hoevelen — vooral onder de jongeren — weten zélf niet eens waar ze aan toe zijn? Als de ander dat nu voorlopig eens liet rusten en open wil staan, dan zou dat de jongeren (en vele ouderen? ) al veel meer vrijmoedigheid geven. Zij willen vaak juist zo graag een open gesprek. En waarom zou je uit de kerk niet met iemand kunnen praten over de preek? Wat jammer als er niet over de dienst des Heeren gesproken kan worden!
Maar gelukkig komt het in onze gemeenten ook wèl voor. In het gezin soms, onder vrienden, ook wel op verenigingen, en als jongeren denken we dan natuurlijk ook aan de zomerkampen van onze gemeenten. Die willen juist gelegenheid scheppen voor zulke gesprekken. Eén van onze predikanten
schreef in het voorwoord van een kampboekje: „Het is elk jaar weer verblijdend als wij mogen bemerken dat er grote openheid en een zeer prettige sfeer is om eens rustig met elkaar te overleggen over dingen die ons bezighouden." En juist op deze kampen ontstaan er vaak blijvende contacten.
Maar behalve de genoemde rem om te spreken kunnen we ons ook door liefdeloosheid in de gemeente alleen voelen. Er wordt inderdaad zoveel langs elkaar heen geleefd, vooral in stadsgemeenten. Maar met de briefschrijfster moeten wij bekennen: veel voor anderen zijn en veel voor anderen doen is bij ons helaas ook maar matig. Dit is toch ook een punt om over na te denken. Hoe komt dit toch? Buitenstaanders worden op zo'n band niet jaloers! Maar ook.... wat moeten we voorzichtig zijn dat gemeenteleden zelf niet wegkwijnen uit gemis aan liefde, — of zich onttrekken en misschien zo een verkeerde kant opgaan, wat ook inderdaad wel gebeurt.
Maar je gaat er wel steeds meer door inzien dat je maar niets van mensen moet verwachten, zegt de briefschrijfster. Zoudt g' uw hoop op mensen bouwen? zegt de Psalm. Zalig hij die in dit leven Jacobs God ter hulpe heeft! Ook David klaagde in de spelonk: „ik vond noch vriend, noch onderstand; daar niemand zorgde voor mijn ziel" maar in één adem door zingt hij:
„Ik riep tot U, ik zeid': o HEER, Gij zijt mijn toevlucht, sterkt' en eer!"
En op die God van het Verbond mag een onderwijzer(es) dan de kinderen wijzen, elke dag opnieuw, — want Hij wacht om genadig te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1966
Daniel | 16 Pagina's