Ware Oecumene of Christelijke verdeeldheid
Het is dit onderwerp, dat we gaarne in diskussie willen geven naar aanleiding van een tip van een lezer uit Rijssen, waarvoor bij voorbaat mijn dank. Het lijkt me een zeer nuttig onderwerp, om daar onze gedachten eens over te laten gaan.
| f Het beste lijkt het mij toe, dat ik, evenals bij het vorige onderwerp, de ingezonden brief maar in zijn geheel opneem en hem dan zonder meer in diskussie geef. Onze vriend schrijft dan:
„Gaarne zou ik een nieuw onderwerp voor de Diskussiehoek aan de orde stellen onder de titel: „Ware oecumene of kerkelijke verdeeldheid."
Het is zeer verblijdend in ons kerkelijk orgaan „De Saambinder" te lezen, dat een commissie, bestaande uit drie predikanten (ds. L. Rijksen, ds. A. F. Honkoop en ds. A. Vergunst) en drie ouderlingen ter Generale Synode is benoemd om te komen tot samenspreking met de Ger. Gem. (in Ned.) en de Oud Ger. Gem. Immers, de kerkelijke verdeeldheid moet ons wel zeer verontrusten. Ook onder ons heerste te veel een tevredenheid met de bestaande situatie. Wel hoorden we voortdurend, dat „de beenderen verdeeld lagen aan de mond des grafs" en de wens, dat de Heere bijeen mocht brengen wat bijeen hoorde, maar verder dan een vrome wens, die ook in andere kerkverbanden werd gehoord, kwam het niet. Nu zien we allerwege eenheidmanifestaties en horen we allerwege de lokstem van de valse oecumene. Zonder de waarheidsvraag ook maar één ogenblik aan de orde te stellen, roept men op tot eenheid. Eenheid rondom de Oecumenische Beweging. Eenheid rondom een algemene christelijke kerk, zonder te spreken over de heilige algemene christelijke kerk. Die valse een-
heidsroep is aangeslagen. Kerkelijk en Staatkundig worden grenzen weggevaagd en normen omgestoten. Alles kan samengaan. De „vrijages" met Rome nemen toe. Ook Rome hoort er bij.
Waar de zaken zo staan, is het een luxe, die men zich niet permitteren kan, dat diegenen verdeeld leven, die op grond van Schrift en Belijdenis bij elkaar horen. Erger, dat is zonde voor God. Zeker is 't, dat de bede van Christus: „Vader, Ik wil dat ze één zijn", ziet op de geestelijke eenheid van die ene algemene Chr. kerk, de onzichtbare kerk. Maar betekent dit, dat de kerk als instituut er niet toe doet en dat — als we maar bekeerd zijn — het verder niet hindert, dat Gods volk verdeeld is over diverse kerkgroeperingen? Hebben de Art. 27 en 28 dan geen betekenis meer? Ik meen:
1. dat we met alle ernst hebben te streven naar eenheid op grond van Schrift en Belijdenis.
2. dat er in het persoonlijk gebed, maar ook in de kerkdiensten een voortdurend gebed moet zijn voor een Schriftuurlijke eenheid.
3. dat besprekingen niet mogen afbreken op punten, die „onder de Belijdenis" staan. De Schriftuurlijke hoofdwaarheden mogen nooit aangetast worden. Dan wordt de kerk een valse kerk. Maar op ondergeschikte punten zal er een verscheidenheid van denken zijn, (b.v. supra-infra, aanbod van genade, de toekomst van Israël, algemene genade, enz.) Mag die verscheidenheid niet getolereerd worden? Ik meen, dat die onder onze oudvaders wordt gevonden. Is een kerk een vergadering van gelijkdenkenden? ? De uiterste consequentie is dan, dat een kerkverband niet meer dan één predikant kan hebben, want ook onder degenen, die in eenzelfde kerkverband leven is er verschil van opvattingen over ondergeschikte zaken.
4. dat de samenspreking zich niet mag beperken tot de Ger. Gem. (in Ned.) en de Oud Ger. Gem. Er zijn verschillende kleine kerkverbanden als de Chr. Ger. Gem., Vrije Ger. Gem., Herv. Ger. Gem. Deze gemeenten zijn vaak uit de nood geboren. Dikwijls vinden we daar een Schriftuurlijkbevindelijke prediking. Waar alle verdeeldheid schuld is, wanneer men staat op eenzelfde grondslag, mogen deze kleine kerkverbanden niet aan onze aandacht ontsnappen.
5. dat we samenspreking met de Chr. Ger. Kerken niet langer mogen afwijzen. Ik meen, dat in het verleden meermalen van Chr. Ger. zijde een poging is gedaan om tot samenspreking te komen. Nooit is het zover gekomen. Deze samensprekingen zullen niet gemakkelijk verlopen. In de Chr. Ger. Kerken zien we een rechtervleugel, met wie wij gemakkelijk zouden kunnen spreken. Al zouden er wellicht vragen rijzen betreffende Verbond en Doop, er zou een verstaan zijn, als het gaat over de noodzakelijkheid der Wedergeboorte. Er is echter in de Chr. Ger. Kerken een stroming, die dichter bij de Ger. Kerken dan bij de Ger. Gem. staat. Een stroming, die geen moeite heeft de Nieuwe Vertaling te aanvaarden, die in de T.V. geen probleem onderkennen en die een voorwerpelijke prediking voorstaan.
Als we echter een kans krijgen met die mensen te praten (het begint toch met samen spreking) en we zijn ons bewust van onze roeping om de door ons beleden waarheid uit te dragen, al zien we dan nog zoveel hindernissen, moeten we dan niet terwille van de waarheid en met verlangen naar de eenheid met de Schrift in de rechterhand en de Belijdenis in de linkerhand deze mensen tegemoet treden?
We horen veel over de nood der wereld. De nood der kerk moge levendig zijn of worden onder ons, opdat er uit die
nood een gedurig gebed tot God moge opgaan, of de Heere wil verenigen wat bij elkaar hoort. Opdat Hij Zijn zegen over dit werk geve, want zonder Zijn zegen is het alles tot mislukken gedoemd.
Dit ontslaat ons echter niet van onze roeping!" Aldus de schrijver uit Rijssen.
Brieven over dit onderwerp inzenden aan de heer H. Hoogendoorn, Ridder van Catsweg 244a in Gouda. In de linkerbovenhoek van de enveloppe graag het woord Diskussiehoek. We hopen weer op een stroom van inzendingen!
Gesprekleider.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1966
Daniel | 16 Pagina's