JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Ziegenbalg

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ziegenbalg

5 minuten leestijd

De loop volbracht

Vanuit Kopenhagen ging de reis nu naar Duitsland. Wat was er een blijdschap in Halle! De geestelijke vader van Ziegenbalg, de bekende Francke, was nog in leven. Wat had de zendeling zijn oude meester veel mee te delen! En de gemeente Halle, de moederkerk van de zending in Tranquebar, juichte Ziegenbalg toe.

In deze bekende stad ontmoette de zendeling één van zijn vroegere leerlingen.

Het was Maria Dorothea Salzmann, een nicht van Philipp Jacob Spener. Die vernieuwde kennismaking had grote gevolgen. Het duurde niet lang of die twee verloofden zich en na enige tijd werd het huwelijk voltrokken. Ziegenbalg had nu een levensgezellin en ook een vrouw, die op het zendingsveld belangrijk werk zou kunnen verrichten. De vrouw van de zendeling zorgde in de regel voor de kinderen en de moeders in de gemeente. Dit gaf meestal handen vol werk.

De terugreis naar Indië werd onderbroken door een bezoek aan Londen. Hier werd het echtpaar begroet door de aartsbisschop van Canterbury. Op een plechtige vergadering van de zendingsgenootschappen dankte Ziegenbalg voor de hulp, die hij al die jaren had mogen ondervinden.

Vol goede moed vertrok het paar nu naar het zendingsterrein.

Het vurig verlangen van Ziegenbalg was om Indië te kerstenen door middel van Indiërs. Daar was veel geduld voor nodig. Hij schreef: „De ervaring tot nu toe leert ons, dat een dergelijk werk eerst op één plaats onder de Oostindische heidenen goed gefundeerd moet worden, wil men op andere plaatsen met vrucht beginnen." In de eerste plaats moesten de jonge kerken goed geordend zijn, wilden deze op hun beurt het zendingswerk in de omgeving en daarna verder en verder ter hand nemen. De zending moest vanuit een centraal punt worden geleid en uit dat punt zouden dan de stralen naar alle kanten kunnen gaan schijnen.

Zoals voorheen trok Ziegenbalg weer als heidenprediker rond. Hij bezocht ook Madras en overal werd hij gewaar, dat zijn werk toenam en bloeide.

En hoe was het ondertussen met Hassius gegaan, de man, die het zendingswerk zo tegengestaan had? Hassius was niet meer in Tranquebar. Als een edelman leefde hij op zijn landgoed in Noorwegen. Nu zou hij Ziegenbalg niet meer dwars zitten. Dat zou men denken, maar zo was het niet. De haat tegen de uitbreiding van het christendom moest dan toch wel diep in het hart van Hassius zitten!

Denemarken had veel geld verloren in de oorlog met Noorwegen. De directeuren van de Handelscompagnie waren daardoor zeer gevoelig geworden voor de finantiën. Er was geldnood in het land. Dat wist Hassius en nu raakte hij de gevoelige plek aan, door er op te wijzen, dat de kosten van de zendingsgebouwen steeds hoger opliepen. Er zou niet zoveel meer voor de zending kunnen uitgetrokken worden. Hassius had de wind in de zeilen en hij zag zijn werk bekroond, want de belangstelling voor de zending werd al gaandeweg zwakker. Tenslotte werd Ziegenbalg verweten dat hij onnodige uitgaven maakte en dat het nu eindelijk eens tijd werd, dat Tranquebar zichzelf ging helpen. Bovendien konden de zendingsarbeiders best het voorbeeld van de eerste apostelen volgen, om met een lege buidel het land door te gaan.

Dat was erg om aan te horen voor Ziegenbalg. Er werd een brief naar Kopenhagen verzonden, waarin we o.a. dit lezen: „Als ik bedenk, dat het in Kopenhagen reeds zover is gekomen, kan ik de twee jaar, waarin mij geen enkel schrijven bereikte en het wegblijven van het zendingsgeld, nergens anders uit afleiden, dan uit dit volkomen wantrouwen. Wij zelf worden in onze arbeid neerslachtig en vermoeid gemaakt."

De zendeling was vermoeid en voelde zich zwak. Hoe graag had hij een reis naar Europa gemaakt; dan zou de zaak gered kunnen worden. Maar hij had er geen kracht meer voor. Hij was ziek. Weken lang kon hij het bed niet verlaten.

Het was alsof hij gevoelde dat hij niet meer zou beteren. Hij nam zeer bewogen afscheid van zijn gemeente. De zendingszaken gaf hij over aan zijn vriend Gründler in het begin van februari.

Drie weken later wist hij met zekerheid dat zijn leven zou eindigen.

Daar ligt de man, die zoveel arbeid had verricht. Zijn vrienden en bekenden staan bij zijn sterfbed. Zij zijn ontroerd en zijn vrouw schreit zacht. Zij vouwen allen de handen en Gründler bidt.

Daar wenkt de stervende met de hand. Zijn vriend komt dichterbij. Met fluisterende stem zegt de zendeling: „Ik kan niet meer spreken. God moge dat, wat ik gesproken heb, tot een zegen doen zijn."

En dan moet zijn vrouw komen. „Speel en zing: „Jezus is mijn toeverlaat." De bedroefde vrouw gaat voor het orgel zitten en speelt. Al de omstanders zingen:

Jezus is mijn toeverlaat.

Hij, mijn Heiland, is het leven! Zou ik dan niet aan Gods raad mij blijmoedig overgeven, schoon der graven lange nacht huiverend wordt ingewacht?

Het is het lied, dat toegeschreven wordt aan Louise Iienriëtte, de dochter van Frederik Hendrik en echtgenote van de Keurvorst van Brandenburg.

Als het lied uit is, is ook het leven van Ziegenbalg geëindigd. In zijn kerk, de Jeruzalemkerk, werd hij begraven. Een paar jaar later werd in die kerk een koperen bord aangebracht, met deze woorden: In spe futurae Resurrectionis sub hoe tumulo quiescunt ossa Beati BARTHOLOMAEI ZIEGENBALG S. Regiae Majestatis Daniae et Norw. primi ad Damulos olim Missionarii & Ecclesiae Evangelicae ex iisdem collectae

Praepositi Nati d. 24 Juni 1683 Denati cl. 23 Februar 1719.

Deze woorden in het latijn luiden in onze taal als volgt:

In de hoop van de komende opstanding rust onder deze graftombe het gebeente van de zalige Bartholomeüs Ziegenbalg, in leven van Zijne Majesteit, de koning van Denemarken en Noorwegen, de eerste zendeling bij de Tamils en het hoofd van de uit dezen bestaande evangelische kerk. Geboren 24 juni 1683, overleden 23 februari 1719.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1966

Daniel | 16 Pagina's

Ziegenbalg

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1966

Daniel | 16 Pagina's