Wij en de cultuur
(SLOT)
VEROORDELEN
Het is ongeoorloofd de gewetens te binden aan menselijke uitspraken.
De Christen behoudt zijn vrijheid in onderworpenheid aan het geopenbaarde Woord.
Deze schriftuurlijke levenswijze heeft gevolgen.
1. Men zal geen Christen veroordelen, die zich onthoudt van bepaalde aanvechtbare, schoon misschien niet voor honderd procent veroordelenswaardige, cultuurgoederen.
2. Men zal zijn mede-christenen vrijheid laten in het gebruik der aardse goederen.
3. Men zal bij beoordeling van wat voorhanden is geen maatstaf ontlenen aan cultuurpatronen van eigen of vroeger tijden.
Immers, Gods wet heeft het te zeggen, niet een traditie, gewoonte of gebruik.
VRUCHTEN.
Het Christelijk leven bestaat niet in het nalaten van verscheidene dingen.
Daarmee is natuurlijk niet gezegd, dat het Christendom zich niet in daden naar buiten tonen moet. Maar dat zijn dan de uitvloeisels van iemands Christendom, zoals de vrucht de openbaring is van de overvloeiende levenskracht, die in de boom huist. Want al wat Christelijk is, dat is echt en 't echte komt uitsluitend van binnen uit voort.
Daarom zegt de Heiland: an hun vruchten zult gij ze kennen (Matth. 7 : 16).
Hij zegt niet: alle boom, die geen druiven of vijgen draagt wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen, maar, alle boom die geen goede vrucht voortbrengt, enz. Maar de goede vruchten van een goede vijgeboom zijn goede vijgen, en geen goede druiven, en omgekeerd. M.a.w. het waarachtige Christendom brengt wel bij ieder belijder goede vruchten voort, maar bij ieder naar zijn aard, verschillend dan die bij anderen. Men kan daarom wel eens zeggen: Die man doet dit niet en dat wel, omdat hij een Christen is.
Maar we kunnen nooit zeggen: eze man is een Christen, omdat hij dit doet en dat nalaat. Vergel. 2 Cor. 3 : 17 en 1 Cor. 12 : 4.
ONZE TAAK.
1. De houding van de Christen t.o.v. de
cultuur bestaat in de taak te zorgen, dat er een bezielend uitzicht is.
2. Een Christen te zijn, die er met woord en daad uit leeft, dat Christus de machten heeft overwonnen en die zich in de kracht van dit geloof, de machten van het lijf houdt.
3. Alle cultuur heeft voor de Christen diepe zin en waarde. Zij is het teken van het mens-zijn en wijst boven de mens uit naar God.
4. De Christen moet de cultuur tot bewustzijn van zichzelf brengen. De vreemde, catastrophale machten moeten wijken, opdat de oorspronkelijke zin van de cultuur weer zichtbaar wordt.
5. Tegenover de verabsolutering van wetenschappelijke begrippen, van kunstzinnige of dagelijkse belevingen, ja, van alle cultuuractiviteiten moet de christen oproepen tot juiste omgrenzing.
6. Daarin strijdt de Christen ook tegen de demonie. De Christen moet zijn medemens tot zichzelf laten komen, hem steunen en hem de weg wijzen tot verantwoorde cultuurwerkzaamheid.
7. De Christen zal een krachtig neen moeten laten horen tegen de verschillende machten van deze tijd.
Neen, tegen het ongelimiteerde geweld, een neen, tegen de jacht van deze tijd, een neen, tegenover het materialisme van deze eeuw.
8. God roept ons op tot dienst van Hem in het bearbeiden van wat in de natuur gegeven is overeenkomstig de ons geschonken gaven. De eis om Gods Koninkrijk te zoeken berooft de eis om in het aards leven bezig te zijn niet van haar kracht.
Luther heeft dit goed verstaan, toen hij zei, dat hij evenwel des morgens zijn appelboom zou planten, al wist hij, dat Christus 's middags wederkwam.
9. De voornaamste invloed, die van de Christen kan uitgaan is: aan de cultuur haar doel voor ogen te houden (zij moet gericht zijn op Gods eer), en haar haar grenzen te wijzen.
10. De cultuurtaak, die God ons opgedragen heeft, krijgt voor ons perspectief, als wij op het einde letten: er blijft iets van ons werk over, dat wij in God gedaan hebben.
Onze talenten goed besteden is medewerken aan de zuivering van de cultuur, onze krachten te besteden om de cultuur aan haar bestemming te doen beantwoorden.
11. De Christen moet zich afzijdig houden van die cultuuruitingen, die hem van de Naam aftrekken. De antithese in religieuze zin moet gehandhaafd blijven.
12. De Christen zal door woord en daad moeten waarschuwen tegen het antichristelijke in de cultuur en terugwijzen op de oorspronkelijke bedoeling, op de opdracht die altijd geldig zal blijven.
„Zo verzond hem de Heere God uit de hof van Eden, om de aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was". D.w.z. zichzelf en zijn cultuurwerk - zaamheid voor God te bestemmen. Het geheim van de mens en zijn cultuur is God. Gods scheppershand blijft in de mens en Zijn stem in alle cultuur waarneembaar, voor wie samenleving en geschiedenis ziet binnen het perspectief, dat de Bijbel onthult.
TENSLOTTE.
Nu is de cultuur onvolkomen en verkeerd gericht. Eens zal zij beantwoorden aan haar doel.
Nu is de orde verkeerd in wanorde, de vrijheid veranderd in onderdrukking, de dienst van God omgezet in dienst van de duivel.
Maar dan zal de gehele aarde door louterend vuur worden gereinigd en vernieuwd.
Bij het eindoordeel van God is alle zonde verdelgd van de aarde en in het Rijk van Gods heerlijkheid gaat de cultuur geheel over in dienst van God.
De gereinigde cultuur gaat niet verloren, maar heeft in verheerlijkte vorm een plaats in de zalige eeuwigheid. En de ware gelovigen zullen zich van die gereinigde cultuur bedienen om God te loven.
Zij zullen staan aan de glazen zee, met de citers Gods en hun stemmen zullen zich paren met de hemelse koorzang en juichend zingen het lied van Mozes en het Lam.
Dan zal in blijde vervulling gaan, wat zij temidden van de veelal anti-christelijke cultuur op aarde hebben gezongen:
„Maar — blij vooruitzicht dat mij streelt — ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw godd'lijk beeld".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1966
Daniel | 16 Pagina's