LEZERS OVER HUN WERK
(OP KANTOOR)
„Maar hoe kan clat . . .? "
We konden bij het schrijven van dit artikel er niet meer op wachten of iemand soms nog wilde ingaan op de vorige brieven en in het algemeen op de problemen, die zich kunnen voordoen op de middelbare school. Natuurlijk kunnen we hier altijd nog op terugkomen. Er zullen er best nog wel zijn die ons daarover nog willen schrijven. Want de vorige keer zijn we daar echt niet over uitgepraat. Maar nu willen we jongeren uit een ander beroep aan het woord laten. We hebben van twee meisjes een brief binnengekregen over het werken op kantoor. De één schrijft:
„Ik werk als typiste op een klein kantoor. Mn collega's zijn wel lid van een kerk, maar daar is dan wel alles mee gezegd. Nu is het mijn plicht om ze erop te wijzen dat je, wanneer je gestorven bent, voor God moet verschijnen en dat het dan niet voldoende is te zeggen: „Ik was lid van de Hervormde Kerk". Ik bedoel dit beslist niet spottend. Maar ik moet U bekennen dat ik dit nog nooit gedaan heb. Ze weten van welke kerk ik ben en dan denken ze meestal direkt aan zwarte kousen e.d., maar wanneer ze zien dat je niet zo vormelijk bent, zoals verondersteld wordt, accepteren ze je en valt het ze mee. Ook heb ik het wel eens over de studie-vereniging en dat je daar echt nog veel van opsteekt. En één collega van me, een meisje van dezelfde leeftijd als ik, zegt dan: „Nee dat is niets voor mij." Zij gaat 's morgens naar de kerk en als ze dan de eerste dienst neemt, kan ze juist op tijd op dansen zijn.
U vroeg nog of ik m'n werk als roeping zag. Nee, dat kan ik beslist niet zeggen. Maar er zijn omstandigheden dat ik m'n werk dicht bij huis moet hebben en dan valt het niet mee om werk te vinden waar je je toe geroepen voelt. Nu zegt U misschien: „Het is juist je roeping om die collega's van je op hun zondige leven te wijzen." Maar hoe kan dat, wanneer je zelf niet eens weet hoe je tot God bekeerd moet worden? Je leest er genoeg van en horen nog meer, maar toch blijf je er koud onder.
Ik hoop dat het U een beetje duidelijk is, wat ik allemaal opgeschreven heb", zo besluit deze brief.
Wij, jongeren
Nu, over het laatste hoef je niet in te zitten. We begrijpen je problemen goed. We vinden het fijn dat je ons zo openhartig hebt geschreven. En er zullen nog wel meer jongeren zijn die met deze vragen rondlopen. Je kunt zo moeilijk op je werk over het geloof spreken. Toch weet je dat dit van je verwacht wordt en zelfs je plicht is. Maar hóe kun je dat nu het beste doen? Moet je wel beginnen met ze te waarschuwen voor Gods oordeel? Kun je niet beter aansturen op het verschil over het geloof, zoals de ander dat opvat en zoals jij het ziet? en over de levensvulling van een echte christen? Maar dat geldt ook weer voor jezelf. Dan merk je dat het zo nauw met elkaar verbonden is: aan de éne kant: hoe ben je zelf, en aan de andere kant die collega's die toch wel op een vreemde manier „christen" denken te zijn. Je voelt het: het mooiste zou zijn als je kon getuigen van je geloof. Dan wordt het heel anders. Maar daarover zit je juist met jezelf in de knoei. Je schrijft zelfs dat je zo koud blijft onder de prediking. We zouden
jou en ieder die net zo denkt willen vragen: heeft het Woord èeht nooit indruk op je gemaakt? En als je bedenkt hoe leeg het leven zonder God is, terwijl bij Hem zon grote zaligheid te krijgen is, zou je dan niet daarnaar gaan zoeken? „Heer', ik hoor van rijke zegen!. . ." Zou je dan niet gaan verlangen om voor de Heere te mogen leven? De Heere Jezus zegt ook: Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen. Als je iets gaat zien van Zijn liefdedienst, zou je dan geen verlangend, geen brandend hart krijgen? Dan zul je ook met meer aandrang erover spreken op je werk, als de gelegenheid zich voordoet.
„De waarde van het geloof'
Het fijne is dat de tweede brief die we kregen, hier zo mooi bij aansluit. Daarom laten we die nu volgen:
„Op het ogenblik zit ik op de kleuterkweek, maar tot voor kort werkte ik op een klein makelaarskantoor. Ik had het erg naar mijn zin, want ik had plezier in mijn werk en was dankbaar voor de taak, die ik daar had. Veel contact had ik met de cliënten en ook wel eens een gesprek over de zin van het leven. Van velen dacht ik eerst, dat ze gelukkig zouden zijn of zich althans zouden voelen. Maar altijd bemerkte ik duidelijk de leegte, die zij niet vullen konden, of een verdriet, of tekort in hun leven. Zij deden vaak wel alsof ze gelukkig waren, maar het was niet moeilijk om de schijn op te merken. Steeds meer ging ik de waarde van het geloof zien. Door de prediking uit de Bijbel ontdekte ik dat wij niet zonder God kunnen leven en dat alleen in Hem het werkelijke leven is. Liefst wilde ik — en nog natuurlijk —, dat alle mensen dat zagen en God nodig hadden. Tegenover zoveel nood in de wereld beklemde mij het werk, dat ik deed. Het betrof uiteindelijk alleen zakelijke aangelegenheden, Erg weinig tijd hield ik over om mij met de dingen van God bezig te houden en de problemen van ons bestaan. Steeds meer verlangde ik ernaar met die dingen bezig te kunnen zijn. Het beroep kleuterleidster trok mij aan omdat je dan meer met „het leven zelf" te maken hebt. Bovendien zou de opleiding mij meer inzicht geven. Of ik dit als een roeping kan zien, weet ik niet. Ik dacht dat onze roeping allereerst ligt in het Christen zijn. Dat Christenzijn is volgens mij in alle beroepen moeilijk. Natuurlijk is elk beroep verschillend, maar het staan in de wereld, het omgaan met ongelovigen, en te moeten doen wat God vraagt, blijft voor mij zwaar. Gelukkig echter wil de Heere dat wij Hem in alles nodig hebben."
Roeping
Het valt ons op dat de beide briefschrijf-
sters niet weten of het werk dat ze doen hun roeping is. In de eerste brief lezen we zelfs: nee, dat kan ik beslist niet zeggen. Nu komt dat hier ook door de omstandigheden en dan valt het niet mee om werk te vinden waar je je toe geroepen voelt. Maar zou je het anders wèl weten? Verlang je eigenlijk naar ander werk? Natuurlijk is het — zolang die omstandigheden zo zijn — dan je roeping om dit werk van nu te doen. Je mag het zo zien, dat je daar door God geplaatst bent. Want wélk werk we dan ook doen, van die taak geldt de bede:
Dat wij ons ambt en plicht, o Heer' getrouw verrichten tot Uw eer!
Ja, met je collega's spreken is goed. Maar onze roeping begint niet pas bij het „geestelijke"! Ons gewone werk getrouw verrichten is óók tot Zijn eer. Maar dit alleen al kan moeilijk zijn. Anderen werken soms met een heel andere instelling. Hun vraag is: hoe kan ik op de makkelijkste manier het meest verdienen. Op sommige kantoren kunnen ze goed lijntrekken. Dat doe je niet, als je het werk als roeping ziet. Maar dan komen al gauw de botsingen. Je valt op. Dan getuig je alleen al door je gedrag. En op zijn tijd kan daar dan ook eens een gesprek bij komen.
De tweede briefschrijfster kon wèl een ander beroep kiezen en heeft dat ook gedaan. Volgens ons heeft ze terecht aan die aandrang gehoor gegeven. En voor lezers, die zich wèl op hun kantoor op hun plaats weten, zegt ze duidelijk dat dit op zichzelf beslist mooi werk kan zijn. Alleen in haar geval meende ze dat haar roeping ergens anders lag. Maar ook nu weet ze nog niet goed of haar nieuw gekozen beroep haar roeping is. Ongetwijfeld gelooft ze, dat ook van dit beroep geldt dat het een Goddelijk beroep is. Het meergenoemde huwelijksformulier sluit daar geen enkel normaal beroep van buiten. Wat we eenmaal gekozen hebben, moeten we dan ook getrouw verrichten tot Zijn eer. Mooi zijn ook de regels die hierop volgen:
Dat Uwe gunst ons werk bekroon, Uw Geest ons leicl' en in ons woon'!
Nu kan het zijn dat juist dit laatste ons vérder doet zien dan onze roeping in ons wérk. Er kan een verlangen zijn om meer rechtstrééks in de dienst des Heeren bezig te zijn. Maar hoeveel vrouwen zijn er niet geweest — en nog! —, die naast hun man in de gemeente een onopvallend, maar rijk en gezegend werk mochten doen? Als God dit allermooiste met ons voorheeft, komt het zéker. En als dit niet zo is, dan zijn er nog vele mogelijkheden binnen ons direkte bereik: denk aan ons verenigingsleven, aan onze zomerkampen, aan gezinshulp in de gemeente, of iets dergelijks.
Hierbij moeten we het nodig laten. Beide briefschrijfsters hartelijk bedankt voor hun bijdrage. Zo konden we over de diepste dingen van ons aller leven een fijn gesprek hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1966
Daniel | 16 Pagina's