JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Noodlottig

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Noodlottig

6 minuten leestijd

Een lezer uit Utrecht schrijft over dit onderwerp als volgt:

„Wij geloven, dat het een geheel menselijke uitdrukking is en geheel en alleen van 's mensen kant gezien, als we er altijd maar goed bij bedenken, dat alle dingen niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen, dus ook die z.g. noodlottige ongevallen. En wij weten, dat ons dat in die kringen, die onze vriend noemde, goed geleerd wordt. Maar als we er ons zo aan stoten, zoals onze vriend uit Tholen, dat we dat een „gewraakte uitdrukking" gaan noemen, dan geloven we toch, dat het bij onszelf niet helemaal goed en gezond ligt. En dan geloven we, dat we daar een heel goed geneesmiddel voor weten en dat is: Elke keer, als onze vriend die uitdrukking hoort of leest, dat hij dan ook direkt die persoon of wie of wat het dan ook is, er over aanspreekt. Dat is gezonde kritiek, helderop tegenover elkaar om van elkander te leren en waardoor ook onze vriend misschien meer bevredigd wordt."

Tenslotte als laatste brief een schrijven van een mevrouw met de volgende inhoud: „Ik ben het met de Thoolse schrijver eens, dat het noodlot niet bestaat, dat het ten onrechte in onze kringen gebruikt wordt, daar het strijdt tegen Gods Woord en de belijdenis. Het is een term, waar de van God vervreemde mens, in wanhopige situaties, nog enige overgave in tracht te vinden, om zich te schikken in het onvermijdelijke wat hem overkwam, want dat noodlottige kwam toch niet van mensenhand, maar van een hogere macht. Hoe zeer diep bedroevend, als we niet verder dan het noodlot staren en in doffe onmacht ons moeten schikken in hetgeen ons door ziekte of ongeval overkomt. Anderzijds hoe Godonterend, is er dan geen God, Die leeft en op aarde vonnis geeft? Komt juist in die ondoorgrondelijke, onbegrijpelijke „waaroms" in ons leven, Gods eer niet het meeste uit in 't verbergen van de „daaroms"? En roept Hij ons dan niet op om door Zijn kracht en genade onze belijdenis te beleven, om te buigen onder Zijn almachtige wil, die gaat over leven en dood, eeuwig wel of wee. Om in onderwerping aan Zijn hoge Godsbestuur het te mogen ervaren, dat Hij kracht naar kruis geven kan en wil. Ja, dat Hij het met het kwade maken kan, dat het ons niet smarte? Hij kan het waar maken: Zijn handen slaan, maar ook Zijn handen helen. Dat kan geen buigen onder het noodlot ons geven, hoor!

Hier is uit de praktijk van mijn leven nog heel wat over te schrijven, maar dat beoog ik niet.

Het gaat er over, of wij de noodzaak van de waarachtige beleving onzer belijdenis aanvoelen door de bearbeiding des Heiligen Geestes als de werkmeester van het oprechte geloof, opdat door genade alleen God de Heere ons geen kwaad meer kan doen. Geve Hij ons, om dagelijks op te merken op hetgeen God de Heere doet in de openbaring van Zijn Goddelijke Raad in ons persoonlijk, huiselijk, kerkelijk en maatschappelijk leven, opdat we ons leerden aan Hem gewennen en vrede mochten ervaren in de vaak onbegrepen en moeilijke levensomstandigheden."

Indertijd sprak een lezer de verwachting uit, dat Gesprekleider een artikel over dit onderwerp in De Saambinder van de hand van Ds. L. Rijksen wel niet gelezen zou hebben, een artikel naar aanleiding van een vraag van de schrijver. Dit is echter wel het geval en ten gerieve van hem en van andere lezers wil ik het hier laten volgen; het stond in het nummer van 15 oktober 1964:

„Dit woord „noodlottig ongeval" is inderdaad een woord, dat dikwijls door velen en in het bijzonder wel door de van God vervreemde mens gebezigd wordt, doch geen werkelijkheid bevat en daarom niet juist is.

Er is immers geen noodlot! Atheïsten, epicureën, stoïcijnen, pantheïsten e.d. staan een noodlot voor, daar zij de mens een vrije wil toekennen en Gods leiding in al het gebeuren in de wereld miskennen en de Voorzienigheid Gods loochenen. Gods Woord leert ons echter zeer duidelijk, dat al wat er geschiedt, plaats grijpt naar Gods eeuwige raad en Zijn welbehagen. „Hij is wonderlijk van raad en groot van daad." (Jes. 28 : 29).

Job getuigt: Ik weet, dat Gij alles vermoogt en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden." (Job 42 : 2).

God heeft Zijn schepping niet aan zichzelf overgegeven. Zonder ophouden werkt God de Vader, onderhoudende en besturende het gans heelal, tot in het allerkleinste en geringste toe.

De Voorzienigheid Gods kunnen wij, zoals o.a. ook Hellenbroek in zijn vragenboekje leert, onderscheiden in onderhouding, medewerking en regering. Betreffende de gestelde vraag is hier in het bijzonder in het geding de „regering" Gods.

De regering, zegt Hellenbroek zeer terecht, is die almachtige kracht Gods, waardoor Hij alle dingen bestuurt tot een zeker door Hem bepaald einde.

Die regering nu gaat over alle dingen, grote en kleine, goede en kwade. „De Heere werkt alle dingen naar de raad van Zijn wil." (Ef. 1 : 11).

Ook de zonde valt niet buiten de regering Gods, al blijft elk mens verantwoordelijk voor zijn daden, want God werkt de zonde niet. Hij haat en straft ze, al bestuurt Hij deze wel en voert Zijn raad er door uit. Zie dit in het verkopen van Jozef door zijn broeders, de verharding van Farao enz. Een toeval is er alzo ook niet. Al lezen we van Ruth, dat zij „bij geval" terechtkwam op een deel van het veld van Boaz. Dit is hier slechts een wijze van uitdrukking, zoals het bij ons kan schijnen. De Heere bestuurde echter haar gehele gang, daar het juist Gods raad en welbehagen was, haar Boaz te doen kennen en haar met hem te verenigen.

Zo veelbetekenend zegt onze Catechismus in Zondag 10, dat de Voorzienigheid Gods is: „Die almachtige, alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen „niet bij geval", maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen."

Hoe goed het daarom ook moge zijn bedoeld, zo is het toch niet juist van een noodlottig ongeval te spreken. Gods hand was in deze; hoe smartelijk het voor ons moge zijn in zulke omstandigheden, wat plaats greep was alzo onder Zijn besturing.

Hoe gelukkig is het wanneer wij daarbij dan bewaard worden voor opstand tegen de Heere, Gode leren zwijgen, doch Zijn ondersteuning behoeven om daarin te mogen ervaren, dat Hij dit alles wilde doen zijn tot Zijn eer en tot ons wezenlijk heil", aldus Ds. Rijksen Sr.

Vriendelijk verzoek aan de lezers: Geen brieven meer inzenden over dit onderwerp. We gaan D.V. misschien in het volgende artikel al, deze diskussie besluiten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1966

Daniel | 16 Pagina's

Noodlottig

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1966

Daniel | 16 Pagina's