JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Noodlottig.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Noodlottig.

6 minuten leestijd

Noodlottig. Allereerst is hier een schrijven uit De Bilt met een reaktie op de brieven in „Daniël" nr. 9. Ik moet deze brief in zijn

geheel opnemen: „Hiermee wil ik voldoen aan het verzoek van de briefschrijver uit Tholen, dat hij deed in zijn reaktie op mijn reaktie. Ook zou ik nog enkele korte opmerkingen willen maken n.a.v. de overige reakties in „Daniël" nr. 9, 1965. Eerst wil ik mijn excuses aanbieden aan de lezers, die zich geërgerd hebben aan mijn eerste brief.

a. Reaktie op „Tholen".

In het begin van mijn reaktie vraagt de Thoolse briefschrijver zich verschillende dingen af m.b.t. enige overdreven bewoordingen. Op al die vragen kan met „neen" geantwoord worden, behalve op: „Van waar toch die (vreselijke) ergernis? " Ik hoop, dat dat hem duidelijk zal worden. Hij begint, na een korte inleiding, met het noemen van door hem geconstateerde gevallen, waarbij de woorden „noodlottig ongeval" gebezigd worden. Dan zegt de briefschrijver, dat art. 13 van de N.G.B. en zondag 10 van de II.C. ons Ieren, dat het noodlot niet bestaat. Akkoord. Vervolgens schrijft hij, dat naar zijn mening door het gebruik van de woorden „noodlottig ongeval" de Allerhoogste oneer wordt aangedaan. Waarom hij dit meent, wordt niet gemeld. Dan wordt vastgesteld, dat er m.b.t. het bezigen van de gewraakte woorden geen eenstemmigheid bestaat. Ik zou zeggen: Dat behoeft ook niet. Maar ja, als de briefschrijver MEENT, dat dan de Allerhoogste oneer wordt aangedaan, liggen de zaken moeilijker. Ik hoop echter, dat hij na het lezen van de brief uit Goes tot de konklusie gekomen is, dat zijn MENING niet deugt. Hij heeft een redeneringsfout gemaakt, n.1. deze: Eerst wordt ons een algemeen aanvaarde waarheid voorgeschoteld, dan geeft hij zijn mening en door nu die mening op een duistere manier aan de waarheid te koppelen, denkt hij, dat men die mening als waarheid moet aanvaarden.

Verder MEENT de briefschrijver, dat de gewraakte woorden in de door hem genoemde gevallen nadenkend gebruikt zijn. Ook dit lijkt mij niet zon betrouwbare mening. Tenslotte verwacht de briefschrijver van mij, dat ik bezwaren zal uiten tegen art. 13 van de N.B.G. en Zo. 10 van de II.C. Na het voorgaande zal duidelijk zijn, dat dit onnodig is. Ik wil wel bekennen, dat het een grote bron van ergernis voor mij was, dat ik „er niet in kon komen, " dat de briefschrijver zijn bezwaren ernstig meende.

b. Reaktie op „Ermelo". Er zijn betere middelen om te voorkomen, dat de „ongodsdienstige wereld" gaat den-

ken, dat wij aan het noodlot geloven.

c. Reaktie op „Oostvoorne". Lees de brief uit Goes nog eens goed.

cl. Reaktie op „Ergens in Nederland". Denkt u eens iets langer dan „even" na.

e. Reaktie op Driebergen. Jammer, die onkunde. Helpt u ook mee, om daar wat tegen te doen?

Tot slot nog een welgemeende raad: Laten we er mee ophouden. Je krijgt zo gauw van die nare, scherpe tegenstellingen, terwijl dat beslist niet nodig is. En, als we ons drukker maken om te zorgen, dat God geëerd wordt, zullen we minder tijd hebben voor het opsporen van allerlei dingen, waardoor God eventueel oneer aangedaan zou kunnen worden."

Een lezer uit Wolf aartsdijk schrijft: De briefschrijver uit Goes (zie Daniël nr. 8) geeft aangaande het woord „noodlottig" enkele voorbeelden, doch dringt in feite niet door tot de werkelijkheid. De weergave van andere gebruikte woorden werpt m.i.z. niet anders dan een verkeerd licht op de zaak zelf. Een verkeersongeval mogen we m.i. nooit „noodlottig" noemen, doch wel „ernstig" of „zeer ernstig" of iets dergelijks, daar hierin nooit geen noodlot bekend is. Bij een sterven als van b.v. Saul was dit anders. Hij viel in zijn eigen zwaard om niet in de handen van de Filistijnen te vallen. Dit was een „noodlottig" sterven. Het woord „overlijden" of , sterven" houdt daar geenszins verband mee of we zouden op Gods rechterstoel moeten klimmen en wat zouden we dan vaak verkeerd oordelen. Ik geloof, dat we met dit onderwerp zoveel mogelijk bij het vleselijke of stoffelijke moeten blijven, in zover ons Gods Woord geen verdere zekerheid geeft wat betreft het verscheiden.

Wat het schrijven van de Anrhemse vriend betreft („Daniël" nr. 8), dat staat voor mij op een laag peil. Ik kan niet begrijpen, dat deze vriend, die naast Gods Woord ook „De Banier" en „De Wachter Sions" aanhaalt, zon uitspraak kan doen, dat „zonsopgang" een ingeburgerd woord zou zijn. Dit zou ik eerder verwachten van iemand, die b.v. „Het vrije volk" of een andere neutrale krant zou lezen. Wanneer het woord „zonsopgang" een ingeburgerd woord zou zijn, wat is Gods Woord dan? Is dat dan ook maar een ingeburgerd boek? Of hebben de mensen, die dit Woord geschreven hebben, door Gods Geest geïnspireerd, daarin zo maar iets gefantaseerd, daar ze anders niet geweten hebben? We lezen hierin toch ook van een opgang en nedergang van zon en maan? Of konden de mensen toen nog niet weten van een draaiende aarde? Dan zou het zeker wel zaak zijn, dat de Bijbel, al was het alleen maar aangaande dit, aan een andere vertaling toe was. Want dan is de Bijbel van thans maar erg twijfelachtig, daar we er ook in lezen, dat Jozua de zon en de maan gebood, stil te staan. Ik geloof, dat het beter is, de gedachte van een draaiende aarde maar naar het land der fabelen te verwijzen, daar Gods Woord, naar ik meen, er geen enkele grond voor geeft. Dat de z.g. geleerdheid ons dit voorschotelt, is voor mij een bewijs, dat ze met Gods Woord en met God als Schepper weinig of geen rekening houdt. Dat blijkt ook wel uit de fantastische verhalen omtrent de maan, als zouden daar levende wezens op kunnen zijn of wellicht nog bewoonbaar zou kunnen worden. Ik geloof, dat in al dergelijke onderzoekingen de mens der zonde meer en meer openbaar komt. Het beste is, dat de Arnhemse briefschrijver zijn standpunt maar eens komt te herzien.

Wat de beide vrienden uit Goes en uit Arnhem over het woord „toeval" schrijven, ben ik het evenmin eens, doch het is beter, om bij de zaak, waar het om

gaat, te blijven, zonder dit met andere woorden uit te breiden."

Opm. M.i. heeft de schrijver uit Arnhem alleen het woord „zonsopgang" gebruikt, om aan te tonen, dat dit een „ingeburgerd" woord is, d.w.z. dat iedereen direkt begrijpt, wat er mee bedoeld wordt, onze vriend uit Wolfaartsdijk toch ook? (Gespr.1.)

Schrijvers uit De Bilt en uit Wolfaartsdijk, hartelijk dank voor uw brieven.

De lezers moge ik vriendelijk verzoeken, geen brieven meer over dit onderwerp in te zenden. Het wordt tijd, om met een nieuw onderwerp te beginnen. Indien mogelijk, zou ik deze diskussie spoedig willen sluiten.

Gesprekleider.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1965

Daniel | 16 Pagina's

Noodlottig.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1965

Daniel | 16 Pagina's