wij en de cultuur
Wij en de cultuur
(6)
Zekerheid er» twijfel Nog een laatste kenmerk van deze huidige cultuursituatie. Elke tijd wordt geken-
merkt door een leesteken. Achter de tijd van 1850 tot het eind van de tweede wereldoorlog zouden we een
uitroepteken kunnen plaatsen. De tijd tussen 1850-1945 was vol van verrukking over de mogelijkheden van de
mens. Er scheen geen eind te komen aan de ongedachte potenties van het menselijk kunnen. De mens ontdekte de stoomkracht, de elektriciteit en tenslotte de atoomenergie. Het was net een lange avond vol ver-
rassingen, die wij ook wel kennen. Wat kon de mens ontzettend veel. De mens in die tijd was zich niet bewust van de vragen, die konden opdoemen. Het
was de tijd van de zekerheid. Onze tijd heeft ook een teken n.1. het
vraagteken. Er staat nu niets meer vast. Achter alles gaat de mens vraagtekens plaatsen. Overal in het land worden discussiegroepen ge-
vormd om over vragen te spreken. Overal worden conferenties gehouden. De mens moet veel meer beslissingen nemen; steeds wordt hij voor een keuze gesteld; de tijd is veel gecompliceerder en proble-
matischer.
Niets staat vast. Geen enkele waarde, geen enkele norm of leefregel geldt meer vanzelfsprekend en
is absoluut. Enkele voorbeelden:
dat de mens zijn leven inzette voor zijn vaderland. In de tijd van Michiel de Ruyter en Maurits lezen wij niets over principiële dienstweigeraars. Men zong het lied: , , 't Is plicht, dat ied're jongen, voor d' onafhankelijkheid van zijn gegeliefde vaderland, zijn beste krachten wijdt!" Ik zie bij de militairen onder de lezers al een ironische glimlach om de mond spelen.
2. Een vanzelfsprekende norm was: de onontbindbaarheid van het huwelijk. Nu is deze bij de wet geregeld.
3. Als u in de laatste wereldoorlog Joden in uw huis zou verborgen hebben, en er zouden Duitsers aan de deur gekomen zijn en gevraagd hebben, of u Joden verborgen hield. En u wist, dat wanneer u deze vraag bevestigend zou beantwoorden, dat de Joden een zekere dood tegemoet zouden gaan.
Wat gebeurt er dan met het negende gebod: Gij zult geen valse getuigenis spreken.
Er zijn vraagtekens geplaatst.
Hoe komt dat? 1. Door het relativerend denken. Als wij de culturen beschouwen, zoals deze zich ontwikkeld hebben, ontdekken wij bijzondere dingen. Wij constateren, dat bepaalde normen, die bij ons als vanzelfsprekend worden aangenomen, daar niet absoluut zijn
(b.v. koppensnellen, polygamie). 2. De normen, zeden en gewoonten worden gezien als het gestold verleden. Zij hebben het gezag van de traditie. Ze worden heilig verklaard. En de mens wil nu in vrijheid leven, en zich niet laten binden door het verleden, dat dictatoriaal gaat heersen.
Wat zegt de Bijbel? Het eerste wat opvalt is, dat God vrij is, dat God Zelf de waarden en normen relativeert, dat God Zelf vraagtekens gaat
plaatsen.
Enkele voorbeelden:1. Een vaststaande waarde is die van het gezin. Maar God zegt tot Abram: Neem nu uw zoon en offer hem tot een brandoffer". God doorbreekt de waarde van het
gezin. 2. Rachab sprak valse getuigenis tegen de soldaten van de koning van Jericho. En we vinden haar naam terug in het geslachtsregister van Jezus. God doorbreekt de waarde van het negende gebod.
3. Jezus zegt tegen Zijn moeder: „Vrouw wat heb ik met U te doen? "
God doorbreekt de waarde van het vijfde gebod.
Wat dan?
Nu rijst de vraag op: Zijn er dan geheel geen waarden en normen, waarnaar de mens moet leven?
Moet de mens de houding van een franse filosoof aannemen, die zegt: „De mens kan in zijn handelen waarden scheppen. De normen zijn niet als duiven, die van de hemel nederdalen, maar in deze wereld jagen mijn handelingen de waarden als
patrijzen op". Zullen wij deze levenshouding aan gaan
nemen? In de Bijbel staat daar een voorbeeld van: „En een ieder deed, wat goed was in zijn ogen."
En toch
Er zijn normen, die vaststaan.
Achter één ding komt nooit een vraagteken te staan, n.1. achter de wil van God, die ons aanspreekt in het woord van Christus: „Gij zult God liefhebben boven alles, en uw naaste als uzelf."
Dan blijft de grote verantwoordelijkheid van de mens over, als hij zich geplaatst ziet voor deze geweldige immense opdracht.
Hiernaar te leven, in afhankelijkheid, steeds vallend en struikelend, steeds opziend naar God en vragend naar Zijn heipende handen, zo vormen wij door ons zijn, d.i. door ons optreden en getuigenis, de etalage van de kerk, zo reikt de gemeente tot in het hart van de samenleving.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1965
Daniel | 32 Pagina's