JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een rubriek voor en van onze jeugd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een rubriek voor en van onze jeugd

9 minuten leestijd

Van 8 tot 16

Ben ik mijns broeders hoeder? Veel wederwaardigheden zijn der vromen lot, maar uit die alle redt hen God. Dat dit een grote waarheid is, is wel gebleken in het leven van de man, die nu zo rustig, van zijn pijpje genietend, zit te vertellen. Wie is hij toch? Och, dat is niet zo belangrijk. Wij behoeven zijn naam niet te weten, laat het voldoende zijn, dat zijn naam bekend is in de hemel. Zoals gezegd, hij zit te vertellen uit zijn bewogen leven en wij luisteren mee met z'n kleinkinderen, die met grote aandacht hun grootvader volgen.

„Eén Kerstfeest zal ik mijn gehele leven niet meer vergeten. Het is al vele jaren geleden gebeurd, maar ik weet het nog als de dag van gisteren. De winter was dat jaar vroeg ingevallen. Wij hadden in het noorden van ons land ons scheepje vol kunnen laden met turf en dachten nog net ons vrachtje thuis te kunnen brengen voor alle sloten en vaarten onbevaarbaar zouden zijn. Maar, helaas, het mocht niet gelukken. Het ging ineens zo hard vriezen, zodat er geen doorkomen meer aan was. Het gelukte ons nog tot dicht bij een grote boerderij te komen en moesten daar dus noodgedwongen blijven overwinteren.

Dit zou zo erg niet geweest zijn als we voldoende levensmiddelen aan boord gehad zouden hebben, maar kinderen, oma's kast was leeg en wat erger was, opa's portemonnee bevatte ook niets. Hoe dat kwam? Wel, we hadden een heel ongelukkig jaar achter de rug. We hadden veel te kampen gehad met ziekte en met reparatie aan de schuit. Voor mijn laatste guldens had ik deze vracht turf gekocht en gehoopt er een behoorlijke prijs voor te maken, om zo de winter door te komen. Maar onze berekeningen klopten weer eens niet.

Het zag er voor ons dus droevig uit. Dat waren oma, ik en onze vier kinderen, waarvan vooral de oudste erg zwak was, daar ze zeer ernstig ziek was geweest. Eén lichtpuntje was er nog. We lagen dicht bij die boerderij en we hoopten, dat de boer ons wel wat zou geven. Ook deze hoop zou echter de bodem worden ingeslagen. Nee, we moesten het niet van een mens verwachten, maar ons vertrouwen alleen op de Heere stellen.

De dag voor het Kerstfeest had oma al een gesprekje met de boerin. Dit bleek een heel aardige vrouw te zijn, aan wie oma eerlijk vertelde van de grote nood, waarin ons gezin verkeerde. De boerin zei, dat ze

er met haar man over zou spreken, maar dat ze maar niet veel moest verwachten, want haar man was verre van gul. Zij zou echter proberen iets te bereiken. Zo wachtten we die dag, maar er werd niets gebracht.

Reeds vroeg begaven we ons ter ruste, na eerst de Heere onze noden bekend gemaakt te hebben.

De andere morgen waren we vroeg op, want ik wilde graag de kerkdienst bijwonen in het dichtstbij gelegen dorp, dat nog altijd een uur lopens bij ons vandaan lag. Zonder eten toog ik op weg, m'n vrouw en kinderen hongerig achter latend. Jullie begrijpen wel, dat ik met een bezorgd hart op weg ging en dat er weinig van de Kerstvreugde in mijn hart was. Ik was het niet met de wegen des Ileeren, die Hij met ons hield, eens. Waar was nu de bevestiging van het Woord des Heeren, dat Hij de rechtvaardigen niet zou vergeten, noch hun zaad zoekende brood? Nee, niet dat ik me een rechtvaardige wilde noemen, maar dit mag ik wel zeggen, de Heere had me in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid willen opzoeken. En nu? Ik wist het niet meer. Dichtbij het dorp reed me de boer achterop. Ook hij ging met zijn vrouw naar dezelfde kerk als ik. Toen ik het kerkgebouw binnenstapte zag ik hem al zitten, helemaal voorin; in zijn bank was zeker nog wel een plaatsje voor mij, maar hij veinsde me niet te zien. Het gaf niet, want achter in de kerk was nog wel een vrije plaats voor mij.

En toen kinderen, toen die dominee aan het preken begon, vielen alle zorgen van mij af. V/at heb ik mogen luisteren. Wat heb ik toen de rijkdom mogen zien van de geboren Koning in Bethlenems stal. Wat een liefde Gods, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden had. En voor wie? Voor zondaren, voor doelmissers, voor doorbrengers, voor mij. Ja, dat mocht ik toen even zo vast geloven, dat ik alles om mij heen vergat en alleen maar oog had voor de geboren Koning. Hij was arm geworden. En nu mocht ik met mijn armoede naar die Koning toe. Met al mijn noden en behoeften mocht ik toen een toevlucht nemen tot Hem, Die gekomen was om zalig te maken wat verloren was. Het leek wel alsof die predikant wist dat ik in de kerk was, want in zijn toepassing vermaande hij allen om hun vertrouwen op de Heere te stellen, al wTas de nood ook geklommen tot aan de lippen. Maar ook de rijken werden ernstig vermaand om van hun goederen te geven aan hen die gebrek leden. Ja, ik kon het niet laten, toen moest ik toch even een blik op die boer werpen en ik zag een blos van schaamte op zijn gezicht komen. Na de dienst ben ik met goede moed terug gaan lopen, nagenietend van alles wat ik had mogen horen. Zo viel de reis me kort.

Thuis gekomen heb ik vrouw en kinderen alles verteld. Ook van mijn vertrouwen, dat de Heere het wel zou maken. Maar hoe? Neen, dat wist ik ook niet.

Voor mijn vrouw en kinderen viel het die dag niet mee. Niets geen eten meer in huis. De kinderen smeekten aanhoudend om voedsel, neen, dan valt het voor een vader en moeder niet mee. En dan te weten, dat er aan de overzijde van het dijkje overvloed was. Daar zaten de boer en de boerin aan een welvoorziene dis. Daar konden ze smullen naar hartelust. En toch, er was geen wrok in mijn hart, ook niet tegen die gierige boer. Een paar maal heb ik op het punt gestaan om om voedsel te gaan bedelen bij hem, ik kon er echter niet toe komen en stelde het steeds uit.

Toen het geheel donker was zaten we nog rondom het hete potkacheltje. Het verspreidde slechts een schemerig licht in het roefje en zo nu en dan hoorde je een zucht van de een of ander. Zo konden we niet blijven zitten en ik zei, dat we maar naar bed moesten gaan om in de slaap te honger te vergeten. Als naar gewoonte knielden we allen voor onze stoelen neer en toen moest ik danken voor de genoten weldaden van de dag. Dat viel niet mee, hoewel er genoeg dankensstof was, daar we allen nog gespaard waren en dit Feest mochten vieren. In dit gebed kreeg ik weer zo'n opening om onze noden de Heere bekend te maken, dat mijn stem steeds luider werd. Ik mocht mijn noden kwijt, want ik wist dat we alles verzondigd hadden en dus nergens meer enig recht op hadden, maar ik mocht pleiten op de verdienste van dat Kind in de stal. Toen moest ik ook bidden voor die boer, die met al zijn bezittingen toch zo arm was. Ik bad of de Heere ook hem wilde bekeren, en hem de ware kerstvrede in zijn hart wilde schenken. En toen gebeurde het wonder.

Wat was er gebeurd? Ook de boer wilde zich ter ruste begeven en maakte eerst nog zijn gewone rondje over het erf. Toen had hij een stem gehoord en nieuwsgierig was hij naderbij geslopen om te horen, waarover wij het zo druk hadden in ons roefje. Daar hoorde hij ons gebed, daar hoorde hij hoe er ook voor hem gebeden werd. En zie, dat raakte zijn hart, zijn koude hart. Nu moest hij bukken. Hij snelde terug naar zijn woning, riep vrouw en

meid bij zich en vertelde in enkele woorden, wat hij van plan was. Alles wat er van de maaltijden van die dag over was moest gehaald worden en naar ons scheepje gebracht. O, kinderen, ik zie het weer voor me, hoe de deur werd opengerukt en de boer met armen vol voedsel binnentrad. Ik hoor nog het gejuich van m'n kinderen. Ze wilden zo op het eten afvliegen. Daar stond de boer met tranen in de ogen en met een haperende stem wilde hij iets zeggen. Hij kon het echter niet, zo was hij aangedaan van onze blijdschap. Toen er een paar kaarsen van de hofstede gehaald waren hebben we gegeten. Maar jullie begrijpen wel, dat we eerst de Heere gedankt hadden voor Zijn wonderlijke uitredding. Wat hebben we toen gesmuld van het heerlijke krentenbrood en van die warme chocolademelk. Het was een koningsmaal en ik kan jullie wel verzekeren, dat we later in ons leven nooit meer zo kostelijk gegeten hebben. En de boer? Ook hij heeft dit zijn hele leven nooit meer vergeten. Deze avond was ook voor hem een omkeer in zijn leven. Zijn Kaïns gestalte was hij voorgoed kwijt. We hebben nog verschillende weken daar ingevroren gezeten, maar het ontbrak ons aan niets meer. Met behulp van die boer heb ik zelfs mijn turf in de omtrek verkocht en kregen we zodoende ook weer geld in huis; de boer wilde echter geen cent van ons aanpakken. Wat hebben we menig avondje samen zitten praten. Soms in de roef, maar meestal in de ruime keuken van die grote boerderij. En waar zouden onze gesprekken altijd over gegaan hebben? Juist, over de wonderlijke wegen des Heeren.

Ook later, als ik met mijn schuitje langs die boerderij moest, heb ik dikwijls m'n oude ligplaats weer opgezocht om mijn vriend te bezoeken.

Ik heb veel meegemaakt in mijn leven kinderen, maar dit Kerstfeest ben ik nooit vergeten. Ja, het Bijbelwoord is waar:

„Zijn machtig arm beschermt de vromen En redt hun zielen van de dood, Hij zal hen nimmer om doen komen, In dure tijd, noch hongersnood."

(Een oud verhaal vrij naverteld).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1965

Daniel | 32 Pagina's

Een rubriek voor en van onze jeugd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1965

Daniel | 32 Pagina's