HIJ KOMT TOCH.
HIJ KOMT TOCH. (W. A. M. Heugten in „Trefpunt"
1963/64) De laatste novemberzondag was de eerste advent en daardoor worden wij voorbereid op het Kerstfeest, het feest van Christus mét ons. Het grote wonder van Christus' geboorte is al eeuwen achter ons en toch worden we elk jaar opnieuw herinderd aan het heugelijke feit van de vleeswording van het Woord.
De mensen van de oude dag zagen reikhalzend uit naar deze wondere geboorte; wij staan achter de feiten, maar kunnen ze niet verwaarlozen. Nee. meer nog: wij moeten uitzien naar de tweede komst van Hem, Die Kind was in Bethlehem, maar voor Wie dan alle knie zal moeten buigen. Bij die tweede komst zal Hij niet verschijnen als „hulpeloos Kind", maar als de grote Rechter.
De wereld lacht hier om. Het zijn dwaze verzinsels, zo zegt men. Wat hebben wij met dat Kind uit te staan? Wij zullen zelf regeren; alles zal buigen voor ons vernuft en voor onze prestaties.
In „Trefpunt", een driemaandelijks tijdschrift voor literatuur en kunsten, stond het volgende gedicht:
Hij komt toch
Wordt Hij nu niet meer verwacht? Wij zijn aan het donker gewend en scheppen uit kernen de kracht voor 'n eigen, nieuw firmament.
Hoog piept ginds raket na raket en scheurt onze hemel tot waan. Wij breken de stof en de wet. Zal straks toch niet alles vergaan?
Maar Hij zegt: Uw hart is zo leeg! Waar vat gij het leven, de dood? Uw lot ligt niet vrij, want ik weeg. Gij zijt nog niet machtig, niet groot.
Uw steekvlam verblindt uw gezicht; uw oercel kiemt uit bedrog. Ik breng u het licht van het licht. Gij glimlacht? — Goed, Ik kom toch!
Eigenlijk is er bij dit gedicht niet veel uitleg nodig. Wel een wonder, als we de vele apekool lezen die in onze tijd verschijnt en waar geen zinnig mens raad mee weet en er geen kop en staart aan ziet. Toch is dit een gedicht van deze tijd. Er zijn nog dichters, die zich eenvoudig kunnen uiten en toch veel hebben te zeggen. Dat zal ook zo wel blijven. Als we het gedicht goed. bekijken, dan zien we meteen, dat het in twee evengrote stukken uiteen valt: de eerste en de tweede strofe horen bij elkaar en de derde vormt met de vierde ook één geheel. In de eerste strofe is de mens van nu aan het woord. Wordt Christus in deze tijd niet meer verwacht? Het schijnt wel van niet. Wij zijn niet meer uitziende naar het licht, want wij zijn aan het donker gewend geraakt en weten niet eens rneer wat licht is. Wij kunnen van alles; wij zijn zelf scheppers, want wij hebben kernreaktors; wij kunnen de atomen splitsen. Wij hebben een eigen, nieuw firmament. Merk hier goed op die twee woorden „eigen" en „nieuw". Het eigenlijke firmament heeft God geschapen, maar nu maken wij een eigen firmament, een nieuw, want het oude deugt niet meer. Alles moet veranderen op aarde; wij stijgen al boven de aarde uit!
Zie eens naar de raketten! Zij piepen door het luchtruim en scheuren onze hemel. Het is een waanzinnig streven. Let op het juist gekozen woord „piepen". De raketten van de mens brengen geen zuiver geluid voort. In Psalm 148 staat het anders: de grote hemellichamen lóven God. Hoor maar: „Looft Hem zon en maan, looft Hem alle gij lichtende sterren dat zij de naam des Heeren loven!"
De stof wordt gebroken in atomen en de wetten van de natuur worden geweld aangedaan.
En wat zegt dan die hoogmoedige mens? Hij kan het niet helpen: Zal straks toch niet alles vergaan? Dat is de taal van een mens, die geen uitzicht meer heeft. „Après nous le déluge, " zegt de fransman: na ons de zondvloed. Leef maar door, kome wat er kome!
En dan komt het laatste gedeelte, ook van twee strofen. Nu spreekt God. En wat zegt Hij? O mens, wat heb je het ver gebracht? Neen, uw hart is zo leeg. Er is geen plaats voor Mij. Kunt u over leven en dood beschikken? Lig uw lot in uw hand? Hebt u daar over te beslissen?
Neen, uw lot ligt niet vrij, want Ik weeg. God beschikt over uw lot. Hij doet alles naar Zijn welgevallen.
Onwillekeurig moeten we hier denken aan Belsazar, die op de wrand zag staan: Gij zijt in weegschalen gewogen en te licht bevonden.
De mens is met al zijn kunnen niet machtig en niet groot.
Integendeel: Uw steekvlam verblindt uw
gezicht. Het is een steekvlam, die onverwacht uitslaat; die niet te bedwingen is. Het is geen zuiver ontstoken licht; het is kunstlicht, waarbij de blinde mens tracht te zien. En dat kunstlicht zal zijn ogen verblinden.
En waar komt nu al dat doen van de mens vandaan? Uit de oercel, het diepste wezen van de mens. En waaruit is die cel gekiemd? Uit bedrog. Het hart deugt niet, want het is aangestoken door de mensenmoorder van de beginne, die de mens heeft bedrogen, dat hij als God zou zijn, maar jammerlijk heeft gefaald.
God brengt het licht van het licht, of zoals David het zegt in Psalm 36: „Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht."
En als God dit heeft gezegd, glimlacht de mens. Wat hebben wij licht van U nodig! Men haalt de schouders op voor zulk gepraat en lacht meewarig.
Maar het slot is zeker: Goed, Ik kom toch!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1965
Daniel | 32 Pagina's