JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Tijdelijk wijken, maar stralend zich richten.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tijdelijk wijken, maar stralend zich richten.

5 minuten leestijd

(„Gemartelde aarde", Martien Beversluis)

Nog niet zc lang geleden heeft de dichter Martien Beversluis een negentigtal gedichten geschreven, die onder de titel „Gemartelde aarde" waarschijnlijk dit jaar nog het licht zullen zien. Die bundel bestaat uit drie delen, elk van dertig sonnetten. Het eerste deel wordt genoemd „De indaling", het tweede „De val" en het laatste „De bewustwording". Het slotsonnet van de tweede cyclus zal ik in zijn geheel overnemen, om een goed overzicht te hebben bij de bespreking.

Als voor de paarse en duist're donderluchten een witte meeuw nog klein en zilver dwaalt.... en voor dit onheilspellend en geduchte nog als een lichtflits zich beweegt en straalt;

en waar de zon, die voor het grauw moet vluchten, zich tot dit éne glanspunt nog bepaalt, niet schittert meer in lover noch in vruchten, maar schijnbaar in de dreiging ondergaat....

zó zal de geest in enk'lcn blijven lichten boven het klimmen van de duisternis en nog zijn korte hooggedragen schichten zenden vóór 't tuim'len dezer wildernis; na tijd'lijk wijken, zich weer stralend richten, daar hij uit God, daar hij onsterflijk is.

Voor het goed verstaan moeten wij weten, dat in „De Val" de verstoffelijking van de mens in het materialisme wordt beschreven.

Als we het gedicht goed bekijken en beluisteren, zien en horen wij twee deler.: het octaaf (de eerste acht regels) en het sextet (de laatste zes regels). Er staat dus eigenlijk: Als dit en dat zich voordoet, zó zal dit en dat verlopen. Bij het woord zó zien we de scharnier, waarop het sonnet draait. Feitelijk hebben wij dus twee volzinnen.

En nu de inhoud. Wij hebben allen wel met min of meerdere angstgevoelens de dreigende onweersluchten gezien. Stellen we ons voor dat we aan de zeekust staan en dan boven het water die onheilspellende donderbui zien opsteken. De luchten worden paars gekleurd; er kan van alles uit voortkomen. Misschien wel hagel, die de oogst verwoest. En tegen die donkerpaarse lucht vliegt een meeuw, een zilveren meeuw, beschenen door de zon, die nog niet achter de wolken is verdwenen. Die witte vogel is als een lichtflits die tegen het zwarte zwerk zich stralend beweegt. De zon moet voor de wolkendreiging vluchten en kan haar stralen niet meer zenden naar de aarde, naar het lover en naar de vruchten, maar kan alleen nog de meeuw bereiken, die tegen de donkere lucht een stukje zilver schijnt.

Nu moeten we even de acht regels nóg eens lezen en dan zien we alles gebeuren. Wat wordt er nu met die dreigende wolken bedoeld? Het is het opgaan van de mens in het stoffelijke, in het materialisme. De zon, die licht en leven geeft, moet verdwijnen en is al aan het verdwijnen. Het lichaam van de mens is nummer één geworden. Alles wat op deze aarde te krijgen is, moet voor het lichaam zijn: eten, drinken, slapen, feesten, geld verdienen, van de ene lol in de andere overstappen, want.... wij leven maar eens.

En gaat dan alles zo naar de ondergang? Is

er niemand meer die hogere dingen zoekt en die uit het stof zich wil verheffen? Wordt er met de ziel, de geest, geen rekening meer gehouden. Op het eerste gezicht zouden wij denken van ja. Maar ziet, de zon beschijnt een meeuw, wit tegen de donkere lucht. En zoals die meeuw, die ver boven de aarde zweeft, zal ook de geest in enkele mensen blijven lichten. Er staat niet bij „de massa". In die wijde hemel is slechts één witte vogel. Bij enkelen dus maar, die niet genoeg hebben aan enkel aards genot en lichamelijk welzijn, maar die zoeken naar het goed, dat niet vergaat. Die geest zal boven het klimmen van de duisternis uitstijgen om verbinding te zoeken met het eeuwige, met God, die de ziel heeft geschapen. De ziel van die enkelen kan het niet harden in het stoffelijke, maar zal de dingen zoeken, die niet te zien zijn, de dingen die eeuwig zijn. Er zal een voortdurende strijd aan verbonden blijven: tijd'lijk wijken, schijnbaar verliezen! Maar na die nederlaag volgt er weer een „stralend richten" omhoog, waar de eeuwige dingen zijn.

Wanneer wij nu het hele sonnet lezen, spreekt het gedicht beter aan dan bij de eerste, vluchtige lezing wellicht.

Het sonnet leent zich uitstekend, om in compacte vorm veel te zeggen, op een klankrijke toon. Deze vorm wordt ook klinkdicht genoemd en geen wonder, als we de rijkdom van het rijm bezien, of liever horen. Let in dit gedicht op de i-klank, die haast in elke regel is te horen: er blijft een kleine schittering over in de tuimelende wildernis. Naar deze klank zoeken we tevergeefs in de gedichten van de experimentelen, of hoe je ze ook noemen wilt. Bij deze dichters is de zang niet meer te horen. Daar is dichten geen zingen meer. Hun dichtwerk is voor het grootste deel proza, dat zich van het andere proza alleen onderscheidt door de onderbreking van regels, soms stukken lettergrepen in regels gedrukt, vol haperingen en leemten.

Het zal misschien goed zijn op „Gemartelde aarde" terug te komen, als de bundel echt is verschenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1965

Daniel | 17 Pagina's

Tijdelijk wijken, maar stralend zich richten.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1965

Daniel | 17 Pagina's