Het gezin in onze samenleving
De vorige keer zijn enkele aspecten van de hedendaagse jeugd belicht. Misschien is toen de gedachte bij u opgekomen dat „onze" jeugd toch niet zo is. Ja, denkt U dat? Wat zijn we dan zelfingenomen! Dan kijken we niet verder dan de misschien nog vrij nette buitenkant. Om dit bij uzelf na te gaan wil ik u een paar vragen stellen .... Weet u wel wat er in uw kinderen omgaat? Praten ze nog met u, behalve over de meest alledaagse dingen? De jeugd voert vaak een felle strijd met vragen aangaande God, geloof en kerk. Hoort u ze daar ooit over, behalve in scheldende vorm? Zo niet, dan hapert er niet iets, maar heel veel. En dat moeten we niet in de eerste plaats bij de jeugd zoeken, maar bij onszelf. Zijn we zelf nog wel met deze vragen bezig of zijn we, zoals Paulus zegt, noch koud, noch heet, maar lauw? Hebben we zelf een levenspatroon, dat enkel door traditie bepaald is, zonder dat we ons afvragen waarom we zo leven? Om het anders te zeggen: is onze kerkgang, onze zondagsviering, ons bijbellezen, ons bidden zonder inhoud geworden; sleur!? En willen we dat op onze kinderen overdragen? Als het zo is dan zijn we als de Laodiceeërs, van wie gezegd wordt dat de Heere hen uit Zijn mond zal spuwen. Dan blijven we alleen maar in wettische voorschriften steken, die bij de kinderen enkel verzet en afkeer oproepen.
„Maar hoe moet het dan? " zult u zich afvragen. Om hierop in te gaan moeten we stilstaan bij de plaats en de fimctie van het gezin. Onze samenleving is een doolhof geworden met vele mogelijkheden, waarin de kans op verdwalen en dus de kans op gevaar uitermate groot is. Toch kunnen we ons niet aan dit leven en aan deze maatschappij onttrekken. Dat kan niet en dat mag niet. Om nu een juist beeld te krijgen moeten we teruggaan naar do kleuter. Die groeit allereerst in het gezin op en gaat van daaruit op verkenning in die grote en vreemde wereld. Eerst gaat het met vader en moeder samen. Met hun hulp leert het lopen enzovoort. In een volgend stadium probeert het alleen te gaan op z'n wankele beentjes. En zo wordt het steeds zelfstandiger en gaat meer en meer alleen z'n weg. Maar altijd komt het weer bij vader en moeder terug, vooral als het verdriet heeft en niet meer alleen verder durft.
En nu de jongen en het meisje, die wel lichamelijk volwassen zijn, maar geestelijk nog zoveel hulp nodig hebben. Die gaan ook op verkenning uit. Dat moet ook. Het zou abnormaal zijn als ze het niet deden. Maar uw leiding, hulp en raad hebben ze daarbij nodig. Doet u dat wel of verbiedt u hen alleen maar van alles en is daarmee de kous af? Dan maakt u dezelfde fout als de moeder van die zoon, die graag wilde leren zwemmen. Ze verbood het hem uit angst dat hij zou verdrinken en zei: „Je mag pas naar het zwembad als je kunt zwemmen". Dat is natuurlijk onmogelijk. Maar u handelt precies hetzelfde, wanneer u alleen maar uw kind van alles verbiedt en er verder niet over praat en geen verklaring geeft van uw handelwijze. Dat wat, verboden wordt, is des te aanlokkelijker en zo gauw ze de kans schoon zien stappen ze er naar toe en worden er door overweldigd. Wat is de kans op verdrinken dan groot! Zoals u de kleuter geholpen hebt zelfstandig alles te kunnen doen, zo moet u ook uw zoon en dochter helpen geestelijk volwassen te worden om zelfstandig door het leven te kunnen gaan met een eigen verantwoorde en aan de Bijbel getoetste levensstijl.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1965
Daniel | 17 Pagina's