JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Noodlottig.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Noodlottig.

6 minuten leestijd

Onze vriend uit De Bilt heeft met zijn schrijven, geplaatst in „Daniël" van 24 september, nogal wat pennen in beroering gebracht. De brieven, die ik in dit nummer wil plaatsen, hebben dan ook allemaal betrekking op zijn reaktie.

Om te beginnen een brief uit Ermelo: „Als de schrijver uit De Bilt denkt, dat het woord „noodlottig" een onderwerp is, dat niet bij de jeugd leeft, dan heeft hij het toch mis, want ik hoef me als 22-jarige, toch nog niet tot de ouderen te rekenen, dacht ik, en ik heb er wel vaak over nagedacht, of het woord „noodlottig" wel juist is.

Het woord „lot" komt vaak voor in de Bijbel, maar dan staat het in het licht van Spreuken 16 : 33: Het gehele beleid daarvan is van de Heere". Maar of wij daarom het woord noodlot wel mogen gebruiken, weet ik niet. Nu kunnen diegenen, die in een advertentie zetten „door een noodlottig ongeval" het wel doen met de gedachte, dat de Heere het beleid daarvan gehad heeft. Maar de ongodsdienstige wereld kan dat niet begrijpen, omdat het er niet staat, zodat zij kunnen denken, dat er aan het noodlot zelf geloof gehecht wordt. Dus doet het mijns inziens afbreuk aan de Voorzienigheid."

Een meisje van 16 jaar uit Oost voor nc schrijft, dat zij het helemaal niet eens is met de briefschrijver uit De Bilt. „Het onderwerp, dat nu aan de orde is, is zeker geen onbenullig onderwerp, integendeel, ik vind het van het grootste belang dat God aan Zijn eer komt. Wat dat betreft, ben ik het dus wel eens met de schrijver uit Tholen. Maar volgens mij is het gebruiken van de woorden „noodlottig ongeval" een fout, die de meeste mensen maken zonder zich daarvan bewust te zijn. Het is daarom wel goed, er op te letten. Nog zon fout is bijvoorbeeld: Iemand zegt: Die persoon heeft een vreselijk lelijk uiterlijk. Een ander antwoordt daarop: Och, hij heeft zichzelf ook niet gemaakt. Volgens mij is dat een verwijt aan het adres van God. Maar hoe vaak hoor je dat niet zeggen? Het is een kwestie van gewoonte geworden. Zo is het m.i. ook met dit onderwerp. Men beschouwt het als een mooi bovenschrift. Niemand is zo origineel om een opschrift te bedenken en dus gebruiken ze dat maar. Het wordt dus onbewust gebruikt. Nochtans ben ik het ermee eens, dat het niet past en mijn raad is: Gebruik het zelf niet maar Iaat niet na er ook anderen op te wijzen. Ik leg hier de nadruk op het feit, dat je het zelf ook niet gebruiken moet, want denk aan de splinter en de balk."

Een sekretaris van een begrafenisonderneming ergens in Nederland schrijft, dat hij zich geërgerd heeft aan de briefschrijver uit De Bilt, „omreden hij dit een verschrikkelijk onbenullig onderwerp vindt. Ik geloof, dat hij een heel andere gedachtengang zou krijgen, als hij eens als uitvoerder van een begrafenisvereniging, voor deze gevallen kwam te staan, b.v. verdrinking of ongevallen. Het noodlot slaat niet toe als wij geloven in de almacht van God. Als ik in bepaalde gevallen advies geef, wijs ik de mensen hier vooral op. Men leest nog wel eens: „door een noodlottig ongeval", maar volgens mijn mening komt dit vaak voort uit geen goede voorlichting van

een uitvoerder. Een ieder, die even goed nadenkt over wat het woord „noodlot" betekent, zal het met de briefschrijver uit Tholen eens zijn."

Het volgende schrijven komt uit Driebergen. „Het is ongeveer een jaar geleden, dat ik over de kwestie „noodlottig" gecorrespondeerd heb met Ds. Rijksen uit Rotterdam. Ik had dezelfde bezwaren als de briefschrijver uit Tholen. Met de schrijver uit De Bilt ben ik het helemaal niet eens. Het spijt me te moeten concluderen, dat de onkunde bij de leden van de Ger. Gem. soms zeer groot is. Zeer terecht haalt de schrijver uit Tholen de Geloofsbelijdenis en de Catechismus aan. Ds. Rijksen heeft op mijn verzoek hierover geruime tijd geleden uitvoerig in de „Saambinder" geschreven. Ik betwijfel, of Gesprekleider dit gelezen zal hebben. Jammer, dat ik deze Saambinder niet meer heb. Deze zal echter nog wel te vinden zijn, in welk geval u het schrijven van Ds. Rijksen zou kunnen overnemen in „Daniël".

Wanneer men dit leest, heeft men niets meer te diskussiëren."

Open. Al hebben anderen over dit onderwerp gediskussiëerd of geschreven, daarom mogen wij het toch ook nog wel eens doen? (Gespr.1.)

Hoewel de brieven over dit onderwerp nog niet alle geplaatst zijn, wil ik voor vandaag als laatste een brief opnemen van onze vriend uit Tholen, die dit onderwerp aan de orde gesteld heeft. Hij schrijft:

„Van de reaktie van briefschrijver uit De Bilt, opgenomen in „Daniël" no. 6 1965, ben ik enigszins geschrokken. Dit geldt zowel voor de vorm als voor de inhoud.

Het is natuurlijk mogelijk, dat de één een bepaald onderwerp belangrijk en de ander het onbelangrijk acht, daarvoor interesse of geen interesse heeft. Ik vraag me echter in gemoede af of het nu nodig was om uitdrukkingen als „vreselijk geërgerd", „treurige moed" en „verschrikkelijk onbenullig" te bezigen. Dat dit de juiste toon is bij het diskussiëren over een bepaald onderwerp of het kenbaar maken van zijn mening, betwijfel ik zeer.

Van waar toch die vreselijke ergernis? Is de kwalificatie „treurige moed" nu werkelijk op mij van toepassing? Meent hij in ernst, dat het door mij ter behandeling opgegeven onderwerp zo verschrikkelijk onbenullig is dat hij dit zeer moet betreuren?

Briefschrijver heeft volstaan met zijn gemoed te luchten, zonder evenwel op het onderwerp zelf in te gaan.

Nu ligt aan elke behandeling van enige betekenis, die wij verrichten, een motief ten grondslag. Ook aan het schrijven van een brief.

Wat onze vriend uit De Bilt heeft bewogen om te schrijven, zoals hij met betrekking tot mijn brief deed, blijkt echter niet. Daarom zou ik hem willen vragen: Laat ons nu niet in het onzekere, maallaat ons eens kennis nemen van de — gemotiveerde — bezwaren, die u hebt tegen de inhoud van mijn brief, opgenomen in „Daniël" no. 5 1965, en — want daar steunt toch immers mijn schrijven op — tegen artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en Zondag 10 van onze Iieidelbergse Catechismus", aldus Tholen.

Gesprekleider.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1965

Daniel | 17 Pagina's

Noodlottig.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1965

Daniel | 17 Pagina's