Eén familie?
Eén fam De Gereformeerde Kerken
Wij, jongeren
Toen wij dit stukje over de Gereformeerde Kerken begonnen schoot ons de volgende herinnering te binnen. Wij waren eens ergens op bezoek, waar we kennis maakten met een vrouw die van huis uit tot de Gereformeerde Kerken hoorde. Mü kon zij er niet meer naar de kerk gaan, want zij vond er niet meer wat zij zocht. Zij vreesde de Ileere en hoorde dan ook graag een prediking die op het echte geloofsleven inging. Zij was erg bedroefd over het grote verval van haar kerk. Maar ze vertelde ook dat zij eens via de radio tot haar grote verrassing een door-de-weekse dienst had gehoord die diep-bijbels was - .. .. van een gereformeerd predikant! Ze werd er zo blij van, zei ze, dat ze hem diezelfde dag nog opgebeld heeft om haar dankbaarheid te uiten en om de dominee verder sterkte toe te wensen!
Dit mooie voorval kan ons op gang helpen om eens na te denken over de Gereformeerde Kerken. Jullie zult wel niet voor het eerst horen spreken over het „diepe verval" van deze kerk. Maar hier hebben wij er een voorbeeld van hoe dat alleen mag. Met grote droefheid. Maar ook blij, zodra wij echt iets goeds horen.
Vroeger
Wat wij zojuist vertelden herinnert er ons ook aan, dat het vroeger heel anders was in de Gereformeerde Kerken! Wie zich verdiept in haar eerste tijd, dus omstreeks 1900, doet grote ontdekkingen! De kerkdienst en de levensstijl waren vaak zoals wij die nü kennen. Je hoort zelfs van „gezelschappen". Brakel en Comrie en andere schrijvers van de „Nadere Reformatie" waren hier niet milie ? onbekend. Zoals je weet zijn de Gereformeerde Kerken ontstaan uit twee groepen, die ook na hun vereniging veel verschillen bleven houden. De éne helft van de Ger. Kerk stamde van de Afscheiding van 1834, en de andere helft kwam van de Doleantie. En vooral de groep uit de Afscheiding stond nog ongeveer in de lijn van die Nadere Reformatie. Hoe die gemeenten waren, kun je op een levendige manier verteld vinden in de Memoires van prof. Wisse. Deze dominee is zelf pas in 1920 overgegaan naar de Christelijke Geref. Kerken. Daarvóór was hij meer dan 20 jaar predikant in de Gereformeerde Kerken. Hij kreeg dan ook zijn opleiding aan de theologische school van de Afscheiding, in Kampen, die na het samengaan met de Doleantie dus niet opgeheven was. Wisse kreeg hier college van de knapste theoloog uit de kring van de Afscheiding, professor Herman Bavinck.
Maar de mensen van de Doleantie wilden óók principieël reformatorisch zijn. Hun grote leider, dr. Kuyper, wilde in de vervallen Hervormde Kerk een nieuwe reformatie brengen of een heel nieuwe zuivere kerk stichten. Als student had hij zich laten meeslepen door de vrijzinnige hoogleraren in Leiden, maar in zijn eerste gemeente, een Betuws dorpje, kwam hij in aanraking met eenvoudige Christenen. Dit bracht een grote omkeer bij hem. Hij ging Calvijn bestuderen en zo werd hij diep overtuigd van de waarheid en de kracht van het reformatorisch geloof. Hij die zelf in de ban van het modernisme had gezeten wilde nu met al zijn gaven en met alle kracht deze dwaalleer gaan onttronen en de hele Hervormde Kerk reorganiseren. Hij wilde tonen waar het verachte Calvinisme toe in staat was. Hij organiseerde onder Calvinistisch vaandel
een christelijke politieke partij, ging strijden voor meer christelijke scholen en stichtte zelfs een gereformeerde Universiteit in Amsterdam. Zo kwam het tot een breuk met de Hervormde Kerk en kort daarop tot een samengaan met de Afgescheiden kerken. Van de zo gevormde Gereformeerde Kerken werd hij de grote leider. Ook in de politiek werd hij de aanvoerder van het nieuwe Calvinisme. Hij voelde zich geroepen tot een heilige oorlog met de partijen van het ongeloof. In de R.K. partij vond hij een politieke bondgenoot in die strijd. Samen behaalde men de overwinning bij de verkiezingen en zo werd Kuyper zelfs minister-president.
Kuyper had een machtige invloed ook bij mensen die het niet met zijn leer eens waren, zowel binnen als buiten zijn kerk. Zo schaarde de jonge ds. Wisse zich in de politiek achter Kuyper. Maar in de kerken moest Wisse al gauw gaan waarschuwen tegen „verbonds-methodisme." Wisse bedoelde daarmee dat de mensen zó sterke nadruk legden op de grote betekenis van de Doop, dat zij gingen geloven dat zij daardoor alleen al zaligmakend in Gods verbond waren opgenomen. En de theologie van Kuyper gaf daar wel aanleiding toe. Hij wilde de sacramenten heel nauw verbinden met het geloof. Dus, zei hij, als er een kindje gedoopt wordt, moeten wij aannemen dat het wedergeboren is, of nog zal worden. Toen ontstond de gedachte dat we nu ook uit liefde moeten oordelen dat iedere gedoopte een kind van God is. Behalve dan als hij met zijn Christelijke opvoeding breekt. Vooral in de gemeenten die van de Afscheiding stamden, liet men protesten horen tegen deze leer van de „veronderstelde wedergeboorte." Ook de genoemde prof. Bavinck voelde het gevaar. Zelf kwam hij uit een Godvrezend gezin. Zijn vader was één van de bekende Afgescheiden predikanten. Prof. Bavinck was heus geen strijder. Hij was in het begin goed bevriend met Kuyper. Maar hijzelf was toch heel anders. Toen hij in 1904 een herdruk verzorgde van de preken van de Schotse predikant Erskine, schreef hij in het voorwoord over de Gereformeerde Kerken: „Het is alsof wij niet meer weten wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekering is"!
en nu.
Als in de tijd van Kuyper en Bavinck dit gevaar al bestond, dan moeten we dat zeker zeggen van de generatie na hun dood, dus na 1920. We willen tot op zekere hoogte waardering hebben voor de theologische en culturele prestaties uit die tijd. Maar ook die generatie is bijna helemaal uitgestorven. Wij maken in onze tijd jongeren van deze kerk mee voor wie Kuyper niets meer zegt en die grinniken om de vooroorlogse „parade der mannenbroeders." Een minderheid nog maar wil in de oude lijn doorgaan. Er komen tegenstellingen naar voren die nog vergroot worden door de onenigheid over de aansluiting bij de Wereldraad van Kerken of bij haar tegenstander, de I.C.C.C. De situatie wordt steeds verwarder. Wij hadden er al
moeite mee om de Geref. Kerken van vroeger voluit te rekenen bij de Geref. Gezindte, maar nu gaat het erop lijken dat zij er zelf niet meer bij willen horen. Er is onlangs een brochure verschenen van een ongerust geworden geref. predikant: , , De Crisis in de Gereformeerde Kerken." Hij vindt het erg dat zelfs bekende theologen van zijn kerk aan schriftkritiek doen en de belijdenisgeschriften ondergraven. Het is goed dat iemand uit eigen kerk dit zegt. Maar doordat ook hij zo gemakkelijk zegt dat ook de dwalenden „natuurlijk ware Christenen" zijn, missen we toch nog dat dringende appèl, zoals Johannes dat namens Christus moet laten uitgaan tot de bijna dode gemeenten van Sardes en Laodicéa (en laten wij mééluisteren!):
„Wees wakende, en versterk het overige dat sterven zou, want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.
den voor God. Gedenk dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het en bekeer u!"
Hij Die zonder omwegen laat horen „gij weet dat gij ellendig en jammerlijk zijt, en arm, en blind en naakt, " laat dan toch metéén weer Zijn liefde-hart zien: „Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, ....witte klederen, ....ogenzalf." Want het is Zijn lust, dat wij rijk, bekleed en ziende worden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1965
Daniel | 16 Pagina's