Voor onze lezeressen
In dit en een volgend artikel(en) plaatsen wij de lezing, die op woensdagmiddag 12 mei 1935 te Utrecht gehouden werd voorde jaarvergadering van de , , Bond van vrouwen-en meisjesvereniging%"i van de Gereformeerde Gemeenten".
Het gezin in onze samenleving
In deze titel worden twee woorden gebruikt, waarvan we even goed moeten weten wat we ermee bedoelen. Allereerst het gezin. Dat is wel voor iedereen duidelijk: vader, moeder en kinderen. Het tweede is de samenleving: hieronder verstaan we alle terreinen van het leven, die zó met elkaar verbonden zijn, dat er niets op zichzelf staat. Het ene gebied ondergaat do invloed van het andere en omgekeerd. Kortom het hele leven met alles wat daarin gebeurt en wat en wie we daarin ontmoeten. We kunnen de samenleving dus zien als een puzzel met allemaal stukjes die in elkaar passen. En het gezin nu is het kleinste stukje in die puzzel. We hebben het echter over het gezin in onze samenleving. Wat bedoelen we met , , onze"? Is dat de Gereformeerde Gemeente of, iets ruimer genomen, alle mensen die ongeveer zo denken als wij? Nee, met onze samenleving bedoelen we de samenleving van deze tijd, van de tijd wraarin wij leven. En dat is belangrijk, want elke tijd heeft zijn eigen beeld. Elke tijd kent zijn eigen samenleving. Dus is die puzzel telkens anders. Het ene stuk wordt groter, het andere kleiner en het past anders in elkaar. Zo verandert dus ook het gezin.
Om dit aan te tonen wil ik even in grote lijnen schilderen hoe het gezin ongeveer een eeuw geleden leefde, zo tussen 1850 en 1900. In die tijd waren er geen grote steden, geen grote fabrieken, geen uitgebreid wegenverkeersnet, geen welvaart en ga zo maar door. Hoe leefde het gezin toen? In eenvoud en beslotenheid! Vader oefende een bepaald beroep uit en werkte van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Vakantie had hij niet en ook geen vrije zaterdag, ja zelfs een vrije zaterdagmiddag was hem onbekend. Het was hard werken en armoede. En moeder? Zij werd helemaal door haar huishouden in beslag genomen, want ze moest het nog zonder wasmachine, stofzuiger en andere elektrische apparaten doen. Ze bakte zelf het brood en naaide voor haar gezin. De kinderen gingen meestal niet naar school. Dat was alleen maar voor de rijke lui. Wat ze nog aan kennis opdeden leerden ze van vader en moeder. Al heel jong hielpen ze mee in het gezin. De jongen vroeg zich niet af wat hij later zou worden, want het sprak vanzelf dat hij in het vak van z'n vader ging. En het meisje had maar één mogelijkheid: het huishouden. Dat leerde ze bij haar moeder en ze verliet pas de ouderlijke woning, wanneer ze ging trouwen. En hadden de ouders het echt arm, dan moesten de kinderen al spoedig uit werken om hun ouders financiëel te steunen. Ze gaven het geld aan vader en moeder en zo kwam er eten op tafel. Dus als we die tijd in ogenschouw nemen, dan zien we aan de ene kant armoede, ziekte en veel kindersterfte. En aan de andere kant het gezin als een kleine besloten gemeenschap. Het kind groeide op in de veilige, directe omgeving van vader, moeder, broertjes en zusjes en het onderging weinig invloed van buitenaf.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1965
Daniel | 16 Pagina's