Op de aankomst van mijn vader en zuster
(odocus van Lodensteyn)
Na enkele beschouwingen over moderne poëzie, is het weldadig om weer iets te horen, waarin pit zit. Sommige moderne (eigenlijk vele) verzen zijn haast puzzles, die men moet oplossen. En dan gebeurt het nog vaak dat men kop noch staart kan vinden. Dat laatste kan zijn door ons onverstand of doordat men geen voelhorens heeft voor de „schone letteren" van de vijftigers en zestigers. Eén ding staat echter vast, dat er weinig diepgang te bespeuren valt in de poëzie van de laatste jaren. Meestal is het een uiting van melancholie, vertwijfeling en uitzichtloosheid en vele verzen beschrijven platvloers het lichamelijke, het zingenot. Ook in de literatuur (? ) bespeuren we veel nozemtendenzen, onbeschaafde en onbeschaamde uitlatingen, die terecht komen bij schuttinglektuur.
Nu het midzomer is, de tijd van reizen en trekken, in zonneschijn en regenvlagen, zullen wij een gedicht van Van Lodensteyn bezien. In dat gedicht gaat het ook over reizen. Eerst zal ik het in zijn geheel citeren; dan kan het op de voet worden gevolgd.
Het opschrift luidt:
Op de aankomst mijns vaders en zusters, Als de Wagen te gemoet wandelde.
Mijn vader, had gij vóór uw and're kind'ren te laten en met één tot één te gaan? Ik bid u, laat u weer noch wind verhind'ren, maar denk: de hemel blaast u herwaarts aan.
Wij zullen wel met u ons zuchten sturen naar boven, vrees niet, 't weer is in Gods hand. En wil Hij 't zo, 't is weinig, te bezuren een bui voor die in Christus' liefde brandt.
De winden die de avonddauw verwekken vrees slechts en daarom maak uw reis wat vroeg. En of het paard onwillig was te trekken, zijt niet bezorgd, mijn herte trekt genoeg.
Dus mijmer ik en ziet, daar komt hij rij den op zijn beloft' en op zijn liefde. Wacht wat, mijm'rend volk,
gij zult u haast verblijden: 't Is avond en uw Heil komt vóór de nacht.
Dit gedicht is door Van Lodensteyn geschreven op de 13de april van het jaar 1659. Dat is ruim driehonderd jaar geleden. Reizen in die tijd viel niet mee. Het ging te voet, te paard of met een wagen. Er was veel tijd mee gemoeid. Reizen was een hele onderneming en als wij daaraan denken, vinden we het niets overdreven wat hier te lezen staat.
Met één kind gaat de vader een reis maken, waarschijnlijk naar Utrecht. Zij gaan Jodocus bezoeken, die toen in de Domstad woonde. Hoe verlangt de dichter naar de komst van zijn vader en zijn zuster! Op de wind en het weer moeten zij niet letten, maar bedenken, dat God alles wel zal besturen: de hemel blaast u herwaarts aan.
Ik zal voor u bidden, zegt de dichter. En mijn bidden zal gelijk met uw zuchten naar boven gaan. Het is niet erg als er een bui komt. Als God het wil hebben dat u komt, dan zullen wij die bui wel kunnen trotseren. Het is zo door God beschikt en hoe zouden wij Zijn doen afkeuren? Ons hart is toch brandende van liefde!
Alleen moet u vrezen voor de koude wind in de avond. De avonddauw is vochtig en kil. Daarom maar liever een beetje vroeger afreizen, dat het geen nacht wordt. Gaat het misschien niet vlug genoeg, omdat het paard wat traag loopt, bedenk dan dat mijn hart u wel zal trekken. Ik verlang vurig naar uw komst.
Deze drie coupletten spreekt de dichter stil voor zichzelf. Hij mijmert. En onder dat mijmeren komt de reiswagen aan. Eerder dan hij had durven denken. Zijn vader heeft het beloofd en zijn liefde is sterk genoeg om de reis te ondernemen.
En dan komen de regels waar alles om draait in het gedicht. Hier stoot de dichter door naar iets hogers. Het is zijn vader niet meer, maar hij ziet in het komen van vader en zuster het komen van het Heil, dat God kan schenken aan hen, die op Hem wachten.
In het derde couplet heeft Van Lodensteyn het nog over „mijn herte trekt" en in het eerste spreekt hij van „ik bid", maar nu gaat het over het volk. „Wacht wat, mijm'rend volk".
Zoals hij uitziet naar zijn aardse vader, zo zien velen uit naar de komst van de hemelse Vader. Hoe kan die Vader komen? Met Zijn vrede en Zijn ontferming, met Zijn liefde en verlossing. Tot wie zal Hij komen? Tot hen, die Hem in liefde verwachten. Hun hart gaat naar Hem uit. „De harten trekken genoeg". David zegt in zijn psalmen: „Ik verwacht de Heere; mijn ziel verwacht en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen, de wachters op de morgen".
Nu wacht het voUv nog. Het hoopt en verwacht. Maar het zal zich spoedig verblijden. Zij, die zó met Hem bezig zijn, zullen vertroost worden. Eer de nacht komt en alles verloren schijnt, is het Heil gekomen.
Let op de biezondere slotregel:
't Is avond en uw Heil komt vóór de nacht. Op die slotregel komt het aan. Dat wilde de dichter accentueren. Door een betrekkelijk eenvoudig gegeven, het komen van zijn vader en zijn zuster, wordt hij opgeleid tot het komen van Hem, Die alle zorgen bant en met liefde te voorschijn treedt en Zijn volk toeroept: „Zie hier ben Ik! Ik ben uw Heil alleen!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1965
Daniel | 16 Pagina's