JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Dominees onder het kruis (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dominees onder het kruis (5)

9 minuten leestijd

Dominees onder Ds. Wust

Het is ondoenlijk, oin liet lange en strijdbare leven van Ds. Wust in slechts één artikel samen te vatten. Daarom lijkt het mij juist, om alleen die periode in het leven van Ds. Wust te beschrijven, dat hij in de eigenlijke zin van het woord een kruisdominee was, door zijn behoren tot de Kruisgemeenten. Deze predikant heeft nl. op een bepaald ogenblik in zijn leven met het verband der Kruisgemeenten gebroken, moe geworden door de vele tegenwerkingen en verdachtmakingen. Hierop komen we echter aan het eind van dit artikel nog wel terug. Laat ons nu bij het begin beginnen.

Willem Coenraad Wust wordt op 12 augustus van het jaar 1807 geboren als zoon van Andries Wust en Catharina Ontijt, te Utrecht. Zijn ouders behoren tot de lagere volksklasse; vader Wust vindt later werk op de marinewerf te het kruis w Medemblik. De jonge Wust groeit kennelijk op in een vrij ruw klimaat; als 17jarige sluit hij een contract bij de Marine, waarin hij zich voor 5 jaar als matroos aan haar verbindt. Zo verlaat hij in liet jaar 1824 het vertrouwde Holland en begeeft zich naar de Oost. Enkele jaren later keert hij terug en heeft dan tegelijk genoeg van de dienst: hij schrijft een ontslagbrief, waarin hij voorwendt dat zijn gezondheid niet van goede aard is. Dit ontslag wordt echter niet genomen, en zo zien we Wust pas op het einde van het jaar 1830 de Marinedienst verlaten. Hij wordt dan smid op de rijkswerf te Den Helder.

In de tijd die nu volgt gaat de Heere werken in het hart van Wust; hij wordt overtuigd van zijn zonden en zijn goddeloosheid; de innerlijke verzuchtingen zijn vele. Maar ook komt er een betrekking op Christus; somtijds roemt hij in Christus als Zijn Heiland en Verlosser. En toch, zegt Wust later, voelt hij dat hij nog iets mist: de volledige overgave aan de Heere, het volkómen vertrouwen op de Heere Jezus. In 1836 komt de grote crisis in zijn leven; Wust zelf noemt het zijn vrijmaking. Door bepaalde omstandigheden komt hij zó in de benauwdheid, dat hij in razernij en opstand tegen God, de Bijbel wel zou kunnen vertrappen. Als hij uitgeraasd is, is al zijn vroomheid, zijn eigengerechtigheid weg. Dan komt de Heere verlossend over met deze woorden in zijn hart: noch voorhuid is iets, noch besnijdenis, maar een nieuw schepsel in Christus.

De veranderingen, die zich in de ziel van Wust voltrekken blijven voor de buitenwereld niet onopgemerkt. In Den Helder waren er zeer weinige kinderen Gods, maar toch zijn er op de werf enkelen met wie Wust geestelijk kontakt voelt. Daartoe hoort ook zijn direkte

chef J. C. Scheffer. Al spoedig vormt zich om Wust een gezelschap van een zevental personen. De Hervormde Kerk bezoeken zij niet meer: zij vinden er door de liberale prediking de dood, in plaats van het leven. Wust leest aanvankelijk een preek voor, maar het duurt niet lang, of hij heeft vrijmoedigheid om als oefenaar voor te gaan. We kunnen over dit soort oefeningen wellicht verschillend denken, maar een feit is, dat er grote zegen op rust in Den Helder. Verscheidenen komen onder het gehoor van Wust tot krachtdadige bekering.

Zelden heeft echter een oefenaar zóveel moeilijkheden ondervonden van de zijde van het gepeupel als Wust. Steeds als Wust voorgaat, zondags of ook wel door-de-weeks, komt er voor het huis, waar de samenkomsten gehouden worden, een grote menigte samen, die op allerlei manieren de godsdienstoefeningen trachten te verstoren. De deuren worden soms ingetrapt. Wust kan er zeker op rekenen, dat er na de preek geen ruit meer heel is. Razend, vloekend en tierend braakt de volksmassa haar haat uit over deze getrouwe godvruchtigen.

Na verloop van enige tijd gaat men tot instituering van een gemeente over; op deze vergadering wordt aan alle saamgekomen mannen én vrouwen persoonlijk afgevraagd, of zij als gemeente willen optreden. Terwijl de stenen door de ruiten vliegen, het gescheld niet van de lucht is en buiten het huis de duistere machten der hel woeden, stemmen allen op één na toe. Als men na de samenkomst het huis verlaat, wordt niemand door de menigte ernstig lastig gevallen, behalve deze éne wankelmoedige.... De gemeente dient nu een request tot vrijheidsaanvrage in; dat loopt echter op niets uit. De samenkomsten gaan toch gewoon door, nu in de stal van een zekere weduwe Lobé. Wust is in deze tijd zó vol geweest, dat hij, wanneer hij uitgesproken is, direkt wel weer opnieuw zou kunnen beginnen. Bijna avond aan avond komt de gemeente samen. Wust zelf noemt dit de meest gezegende tijd van zijn leven. Aan de ene kant staan de koeien, aan de andere kant zitten de mensen op planken, Wust staat achter een eenvoudige lessenaar; de uiterlijke omstandigheden zijn wel zeer primitief, maar de Heere betoont in het midden van hen te willen wonen. Dan kan ook het gepeupel geen kwaad meer doen, ook al dringen zij, wat in deze tijd gebeurd is, binnen en stoten met een ladder de katheder omver.... De gemeente zet in met het zingen van: de Heer zal opstaan tot de strijd, Wust spreekt hen ernstig toe, en... . de kerels druipen af.

Een bewijs van de grote haat en vijandschap is ook het volgende: eens moet Wust in West Graafdijk preken, waar door zijn toedoen ook een gemeentetje gevormd was. Ook hier vormt zich een oploop en bestormen verschillende rabauwen het huis. Wust spreekt hen eerst toe, en zolang hij hen vermaant zwijgen zij. Maar zodra hij uitgesproken is, vallen ze op hem aan. Wust vertelt ervan: „Honderden waren daar, men sloeg mij de ogen digt en scheurde en sleepte mij het dorp uit onder vloeken en tieren, waarop allen uit hunne huizen vlogen, de een met bijlen, de ander met spaden en hooivorken en een derde met messen enz., om mij te vermoorden, maar toen ik buiten het dorp was en neerviel, schopten en trapten zij mij, en toen ze ophielden, wilden zij mij in het water werpen om mij te verdrinken, doch toen anderen dat afrieden, vertrokken zij onder verzwering van mij te zullen vermoorden, indien ik weder in hun dorp zou komen, en zoo lieten zij mij in de modder liggen en vlogen schreeuwende het dorp weer in. Hier lag ik nu in een pikdonkeren nacht met digt geslagen oogen met een bloot hoofd en mijn bovenkleederen van mijn lijf gescheurd op een smallen weg, aan weerskanten water, waarin ik in gevaar was te vallen, als ik zou loopen, terwijl

ik geen weg kon zien, omdat mijn oogen waren digt geslagen."

Het is in Den Helder als in andere plaatsen, waar de situatie een dergelijke is: p een gegeven ogenblik laat de behoefte aan de bediening der Sacramenten zich gelden. Hoksbergen heeft dit probleem opgelost, door als oefenaar de sacramenten te bedienen. Dit heeft Wust echter nooit aangedurfd. Hij beseft, dat hij wettig door de gemeente beroepen moet worden. Dit gebeurt dan ook, maar wie moet hem als leraar ordenen? Wust is er niet op tegen, als de gemeente dit zélf doet. Toch is er op dit punt geen eenstemmigheid, waarop men besluit nog te wachten. Dan hoort men echter van een zekere Ds. Smitt (onze „luitenant"), die men aanschrijft, om Wust als leraar te ordenen. Deze verwijst hen echter naar Ds. Flier van Woerden, ook een Kruisdominee. Flier antwoordt weer, als hij een schrijven ontvangen heeft, dat de reis voor hem te ver is, en dat Wust mét zijn kerkeraad maar naar Woerden moet komen. Wust dient de beroepingsbrief wel mee te nemen. Dit gebeurt. In Woerden moet er echter eerst nog een kerkelijk examen afgenomen worden; dit dient te geschieden in bijzijn van drie kerkeraden. Daarom is naast de kerkeraad van Woerden en Den Helder ook nog die van Linschoten aanwezig. Het examen verloopt bevredigend en Ds. Flier aarzelt dan ook niet, om de volgende zondag — 13 december 1840 — Wust als predikant te bevestigen. Op de avond van deze zondag doet Ds. Wust reeds intrede. Hij preekt dan over Gal. 1 : 15 en 16: nderdaad is Wust niet terstond met vlees en bloed te rade gegaan!

Oefenaar Wust komt zo als dominee terug. Een merkwaardige gang van zaken, die in onze tijd vreemd aandoet! Spoedig kan nu de Doop en het Heilig Avondmaal bediend worden. Ds. Wust maakt nog enkele gezegende jaren in Den Helder door. Een kleine weifeling bij verschillende gemeenteleden omtrent zijn wettige roeping valt spoedig weer weg.

Toch voelt Ds. Wust zich niet zo goed thuis bij de Kruisgezinden; het kerkelijk klimaat ligt hem niet; hij voelt het als iets te kerkistisch aan. Hij bepleit het nut van correspondentie met de Afgescheidenen; hij acht de menselijke leiding in de kerk te groot. Dit laatste zal wel verband houden met het nogal bazerig optreden van V. d. Oever! De persoonlijke verhouding met Ds. V. d. Oever blijkt op de Algemene Vergadering der Kruisgezinden in 1845 niet zo best te zijn: V. d. Oever wenst zelfs, dat Wust een hernieuwd examen zal worden afgenomen. En als Ds. V. d. Oever dit wil, gebeurt het ook! Ds. Wust wordt wel weer in genade aangenomen, maar de broederlijke liefde en het onderling vertrouwen is toch ernstig geschokt.

Ook voelt Ds. Wust niet meer zo'n binding aan zijn gemeente te Den Helder. Als dan ook in 1846 er een beroep van de gemeente Giessendam komt, aarzelt hij niet lang: hij neemt dit beroep aan. In Giessendam is echter, nog vóór zijn komst, door Ds. V. d. Oever over hem gelasterd en geroddeld. De persoonlijke verhouding tussen V. d. Oever en Wust wordt daardoor dan ook steeds slechter. Een leergeschil is in deze omstan-: digheden gauw gevonden: Ds. V. cl. Oever zou alleen de rechtvaardigmaking van eeuwigheid, en Ds. Wust de rechtvaardigmaking door Christus leren.

Als Wust tenslotte kille gemeenschap met V. d. Oever verbreekt, betekent dit in ieders oog (zó groot is de invloed van Ds. V. d. Oever!) het verbreken van de band met de Kruisgezinde gemeenten. Wust heeft zichzelf dan in Giessendam onmogelijk gemaakt. Een schorsing door Ds. V. cl. Oever wordt al spoedig dooide classis bekrachtigd. Wust staat er clan ook officieel buiten!

Reeds eerder had Wust aan emigratie naar Amerika gedacht. Nu staat zijn besluit vast: hij vertrekt naar Amerika,

gevolgd door een deel van zijn gemeente.

Nog vele, vele jaren is Ds. Wust predikant geweest. Bijna 50 jaren heeft hij in het ambt gestaan. Zijn leven is zeer wisselvallig geweest. Jammer voor de Kruisgemeenten, dat zij voortaan deze sympathieke figuur moesten missen!

C. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1965

Daniel | 16 Pagina's

Dominees onder het kruis (5)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1965

Daniel | 16 Pagina's