De leermeester van Ziegenbalg
Het wil nog niet vlotten
Op het eerste gezicht scheen Ziegenbalg niet voor het werk als zendeling geschikt te zijn. Het is noodzakelijk dat zendelingen een gezond lichaam hebben. Meestal moeten ze grote ontberingen doorstaan en veelal moet er veel werk verzet kunnen worden. Verder moeten ze krachtig van geest zijn, energiek en moedig, taktvol en doortastend. Deze dingen waren bij Ziegenbalg niet te vinden. Op zijn einddiploma van het gymnasium stonden deze woorden: „Homo corpore et animo infirmus", dat wil zeggen: Een mens zwak van lichaam en van geest. Nu en dan leed hij aan zijn maag en dan kon hij niet veel uitrichten. Wij kunnen wel spreken van depressies in zijn werkkracht. Dan was hij tot weinig in staat.
Nu kunnen deze maagstoornissen wel verband houden met zijn moeilijke jeugdjaren. Iiet is geen kleinigheid om in de tijd van twee jaar beide ouders te moeten missen door de dood! Hij was toen op het gymnasium. Vervolgens stierf zijn zuster niet lang na de dood van zijn vader en moeder. Daar komt nog bij, dat er een vreselijke brand was uitgebroken in zijn geboortestad Pulsnitz. Een brand in die tijd kon verschrikkelijk zijn: veel houten huizen en gebrekkig blusmateriaal!
Al deze voorvallen moeten wel een geweldige indruk op de jonge man gemaakt hebben.
Was er dan niets, dat hem bekwaam zou maken om zendeling te zijn? Ja, toch wel: zijn vaste geloofsovertuiging. Toen hij achttien jaar was, stichtte hij met zijn vriend een bond. Het doel ervan was: „In de wereld niets anders meer te zoeken dan de verheerlijking van Gods Naam, de uitbreiding van Gods Rijk, de voortplanting van de goddelijke waarheid, het heil van de naaste en de voortdurende heiliging van de eigen ziel, waar in de wereld zij ook mogen vertoeven, moge ook deswege ook nog zoveel kruis en lijden hen treffen."
Dat is een hele opdracht, maar wie zal zeggen, dat het geen goede opdracht is? Als deze dingen zijn doel zijn, dan moe-
ten wij wel zeggen, dat hij uitermate geschikt was om op het zendingsveld te werken.
In Berlijn ging Ziegenbalg theologie studeren en er wordt verteld, dat de leraars en de studenten veel met hem op hadden. Philipp Jaeob Spener, de leraar van Franeke, ging als een vader met hem om. Franeke zelf leerde de jeugdige Ziegenbalg kennen als een ernstige jongen. Hij correspondeerde geregeld met de student.
Jammer echter kon de studie niet ongestoord verlopen. De oude kwaal kwam telkens weer terug en Ziegenbalg was wel genoodzaakt naar zijn geboorteplaats terug te keren. Hij zou dan maar werkstudent worden. De studie zou in elk geval dóórgaan, hoe dan ook.
Franeke wist door briefwisseling alles van hem en hij overlegde of het misschien niet goed zou zijn, dat de ijverige jongeman naar Halle zou komen. Dan kon hij daar studeren. Dan stond hij ook onder de onmiddellijke invloed van Franeke zelf.
Dit gebeurde, maar helaas, het kon niet langer dan een half jaar. Zijn oude kwaal liet zich weer gevoelen en dan was er geen mogelijkheid om iets te leren. Wat moest hij doen? Zijn studie beëindigen? Dat was zwaar, maar toch zou het wel moeten. Het beste was maar dat hij op het land ging werken.
En wat moest er van de bond komen, van die grootse opdracht? Dat doel kon Ziegenbalg niet opgeven, want dat beschouwde hij als zijn levensdoel. In deze situatie was het Franeke weer, die de jongeman ter zijde stond. In Merseburg kreeg hij door bemiddeling van Halles leraar een betrekking als huisleraar. Later gaf hij les in Erfurt, de bekende plaats uit Luthers leven. Bij dit werk kon hij zijn studie ook nog voortzetten. Ook hield hij in kleine kring godsdienstoefeningen en als een predikant verhinderd was, nam hij het werk van de dominee over. Dit scheen hem goed te lukken. De zwakke student hoorde men graag. Rijke mensen nodigden hem uit om in hun huis te komen preken.
Op 23-jarige leeftijd was hij werkzaam in Werder, onder de rook van Berlijn. Hier moest hij acht weken lang de predikant vervangen. Ondertussen was hij weer aan geregelde studie in Berlijn begonnen. Joachim Lange was rector van de school en deze rector was bevriend met de deense hofprediker Dr. Lütkens.
Op zekere dag overhandigde Lange een brief aan Ziegenbalg. Het was een brief van de deense koning, gericht aan de hofprediker. De koning van Denemarken zocht naar zendelingen voor de overzeese deense bezittingen. De hofprediker had het verzoek van de koning doorgegeven aan Joachim Lange en deze had de brief aan Ziegenbalg ter hand gesteld.
De jonge kandidaat was verrast en vereerd door het verzoek van Frederik IV. De voorwaarden waren prachtig: De zendelingen moesten zich voor vijf jaren verbinden om als zendeling werkzaam te zijn. Het eerste en het laatste jaar waren bestemd voor de heen-en de terugreis. Na de vijf jaren konden de zendelingen een predikantsplaats krijgen in Kopenhagen of in een deel van het koninkrijk waar duits werd gesproken.
Het was een zeer mooi aanbod, maar Ja, met Ziegenbalg was je zomaar niet klaar. Mocht hij zijn studie wel afbreken? Mocht hij zich wel opgeven, een man met een zwakke gezondheid? Hij moest er lang over denken eer hij ja of neen zou antwoorden. Na lang wikken en wegen, besloot hij een brief op te stellen, waarin hij schreef, dat hij het verzoek niet kon inwilligen, gelet op de vele bezwaren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1965
Daniel | 16 Pagina's