De leermeester van Ziegenbalg
Het is de plicht van de landen, die kolonies hebben gesticht, de inboorlingen van die wingewesten met het evangelie bekend te maken. Niet elk land heeft die plicht verstaan. Meestal was men er slechts op uit om geld te verdienen en de arme heidenen aan hun lot over te laten. En werdt er nog aan enige zending gedacht, die taak stond toch niet op de eerste bladzij van hun boekje; het was bijzaak.
Een gunstige uitzondering daarop maakte de deense koning Frederik IV, die over Denemarken regeerde en leefde van 1699-1730. In die tijd bezat Denemarken kolonies in Oost-Indië, aan de Goudkust in Afrika en in West-Indië.
Aan de bisschop van Seeland verzocht de koning om zendelingen beschikbaar te stellen voor de inboorlingen in de kolonies. De lutherse bisschop antwoordde: „Onder de deense studenten vind ik er niet één, die voor een dergelijke taak
geschikt is." Dat was wel jammer, maar de bisschop sprak de waarheid niet. Hij wou van de zending onder de heidenen niets weten. En daarin stond hij niet alleen. De hele lutherse kerk was van dit gevoelen. De hogescholen hadden zich tegen de zending uitgesproken. In 1652 had de Wittenbergse faculteit de verplichting van de kerk om zending te drijven afgewezen. En dat geschiedde op bijbelse, historische en dogmatische gronden. Hoe is het mogelijk? En bij dat afwijzen van elke zendingsarbeid blééf het. Men zei doodeenvoudig, dat de zendingsopdracht van Christus al vervuld was. Heden ten dage was zending, waar dan ook, niet meer vereist. Diezelfde faculteit noemde in 1708 de protestantse zendelingen „valse profeten."
De koning had dus wel aan een verkeerde deur geklopt. Maar hij gaf de moed niet op. Dat pleit voor zijn liefde tot de zending, te meer, daar de publieke mening van de kerk tegen zending was. Koning Frederik had een duitse hofprediker, Dr Frans Julius Lütkens, en deze maakte er werk van om zijn duitse vrienden te hulp te roepen. In Berlijn wist men wel een paar jonge mannen aan te wijzen. Het waren leerlingen van de bekende August Hermann Francke, bekend om zijn Franckeschen Stiftungen in Halle. Deze Francke was een ernstig man. Hij was docent in Leipzig, maar voelde alles wat hij gedaan, gesproken en gedacht had, als zonde en als een grote gruwel voor God. Wij laten hem zelf even aan het woord:
„Het was op een zondagavond en ik dacht mij weer in dezelfde onrust te bed te leggen. Ik dacht er ook over, als er geen verandering kwam, de preekbeurt af te zeggen, omdat ik niet in ongeloof en tegen mijn eigen hart preken en de mensen bedriegen kon. Ik geloof ook niet dat het mij mogelijk zou zijn geweest. Want ik voelde het al te hard wat het was, geen God te hebben, aan wie het hart zich kan vasthouden; zijn zonden te bewenen zonder te weten waarom, of wie Hij was, Die de tranen mij ontperste en of er waarlijk wel een God was, die men daarmee had vertoornd; zijn ellende en grote jammer dagelijks te zien en toch geen Heiland en geen toevlucht te weten of te kennen.
In zodanige grote angst knielde ik die zondagavond nogmaals neer en riep die God, Die ik toch niet kende en aan Wie ik niet geloofde, om redding aan uit zulk een ellendige toestand, zo Hij anders waarachtig God was. Toen verhoorde mij God de Heere, de levende God, van Zijn heilige troon, terwijl ik nog op mijn knieën lag.
Want, zoals men een hand omdraait, zo was al mijn twijfel weg; ik was in mijn hart verzekerd van de genade van God in Jezus Christus, ik kon God niet alleen God, maar mijn Vader noemen, alle treurigheid en onrust was opeens van mij afgenomen, daarentegen werd ik plotseling als met een stroom van vreugde overstelpt, zodat ik uit het volle hart God loofde en prees, Die mij zo grote genade betoond had. Ik stond in gans andere stemming op dan ik mij neergebogen had. Want met grote kommer en twijfel was ik neergeknield, maar met onuitsprekelijke blijdschap en grote zekerheid stond ik op. Toen ik mij neerlegde, geloofde ik niet, dat er een God was en toen ik opstond zou ik zonder vrees of twijfel alles met mijn bloed bekrachtigd hebben."
Deze man werd de baanbreker van de protestantse inwendige en uitwendige zending. Het is hier de plaats niet om op te noemen wat Francke zoal tot stand heeft gebracht. Invloedrijke vrienden bezat hij in Rusland, Engeland, Zwitserland, Noorwegen en Zweden. Hij correspondeerde met de aartsbisschop van Canterbury en via Engeland drong zijn invloed door tot in Amerika. Hij hoopte van Rusland uit China te bereiken en vanuit Konstantinopel dacht hij
te kunnen werken in Armenië, Perzië en Indië.
Nummer één was bij hem de inkeer tot eigen innerlijk leven. Naar het voorbeeld van de apostelen dienden de zendelingen zich te richten op het heil van de enkele mens. Zij moesten daarom de massadoop vermijden. Als er maar één ziel werd behouden, was de uitzending van een zendeling al beloond.
In Halle kwam een gemeente, die een machtig thuisfront was voor de zending. Met gedachten, gebeden en geld steunde die gemeente het zendingswerk. Uit deze gemeente kwamen de twee mannen voort, die aangewezen werden om de koning van Denemarken ter wille te zijn, namelijk het evangelie brengen naar de deense kolonies.
Die twee jeugdige mannen waren Bartholomeüs Ziegenbalg en Heinrich Pliitschau. Aan de eerste is het te danken, dat de zending in Tranquebar tot op heden nog bestaat. Ziegenbalg mag worden beschouwd als de eerste zendeling, die het stempel droeg van de geest der .Reformatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1965
Daniel | 16 Pagina's