Moderne poëzi
Moderne poëzie
5 Na de vernieuwers van de nederlandse poëzie omstreeks 1950 is er een leger van dichters(? ) gekomen, dat maar raak schrijft. Het ging nu gemakkelijk, want aan rijm en ritme deed men niet meer en op hoofdletters en interpunctie moest niet meer gelet. Nu kon men ook „naam" maken en er waren altijd wel uitgevers te vinden, die er papier en bandjes voor over hadden cm de produkten het licht te doen zien. En als er dan „knal"-recensies kwamen, dan was de boot voor de uitgever aan. Het publiek slikte het wel en het stónd toch ook wel een beetje om aan poëzie te doen. Moderne muziek en moderne schilderijen moest men ook mooi vinden, want de algemene opinie zei het. Wilde men er niets van weten, dan was men niet bij de tijd en een generatie of wat achter. En voor achterlijk willen we niet gauw doorgaan. Het einde van het liedje is evenwel, dat men geen goede poëzie meer waardeert. Die waardering is altijd klein geweest, omdat de meesten te prozaïsch van aanleg zijn en te weinig ontwikkeld. Bovendien had (en misschien ook: heeft) de kunst een verdacht bijsmaakje. Dat een kunstenaar zijn geschonken gave verkeerd gebruikt, gebeurt niet zelden, maar toch moeten we de gaven hoog achten, want het zijn gaven, door God gegeven. Hoe wij met de gaven werken ligt aan de persoon in
kwestie. Tussen de vele waardeloze poëzie(? ) van de laatste tijd, verschijnt er toch nu en dan iets, dat de moeite van overweging waard is. Dan moeten we zeggen, dat er iemand aan het woord is, die werkelijk iets heeft te zeggen; die worstelt met de taal om daarmee zijn gevoelens en gewaarwordingen uit te drukken. Het gaat bij een dichter niet om een versje te maken. Dat is erg gemakkelijk en kan worden aangeleerd. Maar daar gaat het niet om. Het zal een móeten-schrijven zijn, al leest nooit iemand het. De woorden moeten er uit. Wat beleefd wordt moet in taal
uitgezegd. In een bundel „Deze voorlopige naam" van Peter Berger lezen we „Den Haag/ Kijkduin." De titel van de bundel zegt al iets van het worstelen met de taal. Een dichter zou het volkomen woord willen schrijven, maar het zal meestal bij benaderen blijven. Daarom een „voorlopige naam"; de dichter kan het niet beter zeggen; misschien dat het later wel lukt.
Het gedicht gaat over het uitpuilende Den Haag. Daarom heet het Den Haag/Kijkduin. Grote flats zijn verrezen buiten de oude residentiestad. Het gezicht daarop doet de dichter schrijven:
Nuchtere geheimzinnigheid van deze stad, aan de rand groeit het helmgras op het duin, te berge gerezen op het schedeidun zand, vlijmscherp slijpt de zeewind de witte was aan de lange lijnen, aan de verste uiteinden van de fluitende touwen zijn huizen, zwevend in de lucht, en die lucht is verder leeg op nog een paar verdwijnende vogels na.
Daar staat de eerste punt. Er is ook al genoeg gezegd om even te overdenken. Er zouden veel vragen gesteld kunnen worden. Nuchtere geheimzinnigheid zegt al veel. Een flat is een nuchter ding, wat beton en ijzer, maar toch blijft dat bouwsel geheimzinnig: hoeveel mensen huizen daar dicht bij elkaar! Waarom staat er „slijpt" de zeewind? Weten wij nog van het slijpen van messen op een slijpplank? Telkens gaat het mes over de plank tot het scherp genoeg is. Nu gaat voortdurend de wind langs het wasgoed tot het droog is. Verder zouden wij kunnen opmerken, dat de huizen zweven in de lucht. Ja, zo lijkt het voor de kleine mens, die op de grond met beide benen staat. De lucht is leeg. Ja, natuurlijk, want er is op die hoogte geen boom, die het kan halen. Trouwens, het is nieuwbouw en het groen is pas geplant rondom dat stenen gevaarte.
Laten we even verder lezen:
het beton is muzikaal van licht, met het open en dicht gaan cler deuren haalt de flat adem, de zee is aanwezig in dit bouwwerk van wind en grofkorrelig water en vlezig trommelen de zeevogels op de vensters.
Hier hebben we de tweede punt. Hier is weer veel gezegd over de mensenbergplaats. Het begint wel wat moeilijk: het
beton is muzikaal van licht. Dat is een gewaagd beeld en velen zullen geneigd zijn het onzin te vinden. Wat is muzikaal? Het is het open-staan voor muziek; men verstaat de muziek; men voelt er zich in opgenomen; er is een bijzondere aanleg aanwezig. Hier zien we een overdadigheid van licht door de grote rechthoeken glas in de flat. Het beton laat grote ruimte over voor de lichtinval aan alle kanten.
De grote blokkendoos is van alle kanten gesloten, maar nu en dan gaat er een deur open en dan is het of het kolossale gevaarte adem haalt; dan gaat er weer een beetje buitenlucht in.
En rondom het reuze bouwwerk is de zee met alles wat ze geeft. Zo dicht zijn de huizen al tegen de duinen gebouwd. Vanuit de zee komt voortdurend de wind aanzetten en hoge bomen (hier huizen) vangen veel wind, temeer nu alles zo dicht bij de zee staat. Maar ook het water, dat in grote druppels (grofkorrelig) tegen de glasoppervlakte slaat. En dan vangen de hoge vensters nog iets anders op: de zeevogels zwalken rondom de flats en laten nonchalant hun afval los, dat tegen de ruiten spat. Het zijn geen steentjes, die tegen de ramen tikken, maar het is een zacht trommelen, dat gehoord wordt. Het zijn de resten van het verteerde vlees dat de meeuwen hebben verorberd. Vandaar een vlezig trommelen.
En dan gaat het over de bewoners van de flat. Maar dat moet een volgende keer een beurt hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1965
Daniel | 16 Pagina's