JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Gods stem, Gods roep, Gods Woord.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gods stem, Gods roep, Gods Woord.

(Vervolg en slot)

8 minuten leestijd

(Gen. 3 : 8-11)

(Vervolg en slot) Om ons heen leeft een religieus overtuigde jeugd, die Gods stem vernomen

heeft. Het is niet nodig hen het bestaan van God te bewijzen. Het is niet alleen het geruis Zijner voetstappen in de zware tijd die ons volk nu doorleeft, en de stem van God in de hof der natuur, maar het is ook hun hart

dat getuigenis geeft dat God bestaat. Er is een God! Ook worden er aangrijpende klachten gehoord, waaruit te vernemen is dat de jeugd het oordeel in zich draagt: er is iets niet in orde tussen God en hen, er is iets verwoest en verscheurd dat voorheen volkomen en welluidend was. Uit deze spanning, uit deze overtuiging dat God bestaat en uit het gevoel van een innerlijk onbehagen over eigen verdeeldheid komen de religieuze gesprekken van de jeugd waarin de één met de ander over God spreekt. En het resultaat is hetzelfde als bij de eerste zondaren: zij willen Gods Aangezicht niet zien! Geen ontmoeting met Hem! Geen duidelijk woord van Hem, het zou onze dood kunnen zijn! De één helpt de ander in de beslissing zich te verbergen voor Gods Aangezicht.

En daar, in hun schuilplaats spreken zij over God en zingen een lied van heimwee en verlangen. Zij zingen een lied der religieuze lyriek onzer dagen. Zij zoeken een weg naar verloren goed.

Zo wordt zij geschud, deze zoekende verlangende jeugd tussen heimwee naar God en vlucht vóór God. Al verbergt zij zich achter nog zo dikke bomen, achter de machtige filosofische systemen die men bedacht heeft om ergens „een God" te vinden, doch het levend Aangezicht Gods niet te zien zoals het zich geopenbaard heeft, al is er rondom hen in natuur en kunst een paradijs dat hen toelacht en glanst en zingt, zodat men zich dweepziek steeds dieper daarin verliest om God niet te ontmoeten: ondanks dat alles is het een vredeloze jeugd met een ziek hart. Zij weet te veel van God om Hem uit hun gedachten te kunnen bannen en weten toch slechts zo iceinig van Hem, dat zij doodarm zijn.

Zo een verdwaalde jeugd is niet geholpen met onze arbeid als daarin alles er op gericht is de stem Gods te doen horen als een apologetisch bewijs dat God bestaat, of als een duister religieus spreken over God, speculerend op religieuze stemmingen.

We zullen bij zulke arbeid ondervinden dat ieder wat anders onder het Woord verstaat. Of wij ook menen te getuigen van de levende God, de anderen willen Gods Aangezicht niet zien, zoals het

in Gods Woord te zien is. Hoe meer wij God op deze manier aanprijzen en hoe meer nadruk wij leggen op religieuze gevoelswaarde, des te dieper zien we hen zich verbergen voor Gods aangezicht.

Geheel onze arbeid moet er op gericht zijn Gods roep en Gods Woord tot de mens te brengen, om hen voor Gods Aangezicht te stellen.

Gods roep, dat we hen achtervolgen zullen in al hun schuilplaatsen die ons nog bekend zijn uit de tijd dat we zelf ons daar verborgen hebben op de vlucht voor een ontmoeting met God. In elke schuilhoek moeten we hen volgen met de roep van de Heere God: „waar zijt gij? ", totdat ieder begrijpt dat vluchten niet baat, dat er geen plaats is die voor God iemand verbergen kan. Opdat de zondaar het versta dat het op hem gemunt is, dat zijn grote levensvraag nu aan de orde is. Dan zullen we elders ook ervaren hoe de mens, die Gods stem vernomen heeft en ook de roep Gods die hem zocht gehoord heeft, nog ijverig is om de diepste nood in zijn nood te omzeilen. Hij heeft een verbazende hardnekkigheid en behendigheid om het stil worden voor de roep Gods te ontwijken en om niet uit te spreken wat uitgesproken dient te worden: zijn zonde, dat wat geschied is. De mens vreest het meest voor het noemen van zijn zonde. De belijdenis valt hem het moeilijkst. Toch zou dat reeds het begin van de bekering zijn.

Zoals de zondaar voorheen over God sprak, zo spreekt hij nu tot God. Hij ontwijkt echter in zijn antwoord de diepste inhoud van de vraag. Is het uiteindelijk niet de schuld van God dat de mens naakt is, en zich verbergen moet? Waarom heeft God mij zo gemaakt? !

O, oude, altijd nieuwe vraag, waarin de jeugd gebonden wordt. Ja, het duurt lang, ook bij degenen die door de roep Gods reeds voor Gods Aangezicht stelde, tot eindelijk het woord er uit komt: „en ik heb gegeten."

Dit woord komt er dan ook nooit uit als-Gods Woord het de mens niet voorzegt. Het geweten alleen brengt geen belijdenis tot stand. Het pijnigt de mens. het drijft hem om, maar God is de eerste, die zegt: „Gij hebt gegeten en Ik had toch geboden. . . ." God herinnert hem aan Zijn gebiedend Woord dat IIij gesproken heeft en God stelt de zondaar de zonde als zonde in het licht.

Dat is ook onze opdracht in de verkondiging. Wij willen dikwijls barmhartiger zijn dan God en ontzien onze hoorders, als ware het wreed hen de innerlijke schuld onverbiddelijk te ontdekken. Zo houden we de zielen op. Hij is een ware zielszorger, die in Gods Woord zó thuis is, en de schuilhoeken van de mens achter de bomen van de hof der natuurlijke en geestelijke wereld en achter de uitvluchten der verwarde rede zó kent, dat hij Gods Woord als een tweesnijdend scherp zwaard op het geweten van de zondaar weet te zetten.

Dat nu bemint de religieuze jeugd van heden niet. Zij wil zich „een God" uitdenken waarin zij als in hun oorsprong tot rust kunnen komen zoals de ontstuimige golven van een stortbeek in de stille, wijde, diepe zee. Dat is religieuze stemming, de sfeer waarin alleen de „stem Gods" vernomen wordt.

Wij moeten het zuivere Woord van God brengen. Dan schrikt men terug voor de punt van het zwaard dat op de borst gezet is. Dat gaat niet zonder bloedvergieten en het sterven van de oude Adam. Gods Woord kan Gods Aangezicht openbaren, het Aangezicht van de driemaal Heilige, Die Zijn geboden gegeven heeft en de mensen daarnaar richt. Bij Hem alleen kan het leven gered worden in de wregen van erkenning en belijdenis van schuld. Zo wordt dan ook de weg geëffend voor het woord van verzoening en kruis. Stem Gods zonder Woord Gods werkt algemene religiositeit, maar zij werkt niet de gemeenschap met de levende God, Die de zondaar door het geloof aangrijpt. Stem Gods zonder

Woord Gods is „Religie" zonder het „Kruis", zonder de boodschap van zonde en genade, van vloek en verzoening door het bloed van Christus.

Hoe langer wij ons dienstwerk verrichten, zoveel te ernstiger en éénzijdiger wensen wij te streven naar het enige doel: Gods Woord aan de gewetens der mensen te leggen, opdat jonge mannen het merken: mij wacht een Aangezicht waarvoor ik mij eenmaal, in het laatste knelpunt van mijn leven niet verbergen kan. Als zij de roep verstaan hebben dan willen wij hen Gods Woord brengen, het Woord van de zonde en van de zaligmaker van zondaren: Laat u richten, stem Gocls Woord toe, dan zult ge staan onder het Kruis. En als ge daar moogt vernemen hoe de voor u gestorven Heiland u roept: „waar zijt gij? ", dan zult ge daarin de stem van de goede Herder beluisteren en moed vatten om Zijn Woord te beantwoorden: „Zie Heere Jezus, ik kom!"

Bovenstaande meditatie die wij plaatsten in nr. 18 en dit nr. van ons blad, zijn van dr. Paul Humburg, geboren 187S te Keulen-Mülheim. Hij studeerde te Halle en o.a. ook te Utrecht, was predikant te Elberfeld en Barmen Gemache. In beide plaatsen mocht hij dus de bekende F. W. Krummacher tot zijn voorgangers rekenen.

Van 1921 tot 1929 was hij „Bundeswart" van het West-Duits jongelingsverbond. Zijn geschriften onderscheiden zich door veel kernachtige gezegden. Vooral „Die Versöhnung durch das Kreuz Christi" is voortreffelijk.

De twee overdenkingen die wij plaatsten zijn uit een verzameling meditaties van hem: „Allerlei Reichtum." In 1943 werd Paul Humburg emeritus, „vroegtijdig ontkracht door de strijd om de kerk." Tot 1942 was hij praeses van de Rheinlander „Bekenntnissynode." Hij overleed in 1945.

Het was hem een grote vreugde in advent 1909 bij zijn intrede te Elberfeld het psalmgezang terug te vinden, dat hem in Holland voor zijn hele leven lief geworden was. In een verslag van deze intreepreek werd gezegd: „Zijn eerste getuigenis voor de gemeente was een vast besloten belijdenis van de gekruisigde Christus."

liet is verblijdend iets te vinden van een schrijver uit onze tijd, die in Duitsland het Woord der Waarheid zuiver preekte.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1965

Daniel | 15 Pagina's

Gods stem, Gods roep, Gods Woord.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1965

Daniel | 15 Pagina's