Essayistische geschiedschrijving.
Prof. Dr. Th. L. Haitjema: „De nieuwere geschiedenis van Neeriands Kerk der Hervorming. Van Gereformeerde Kerkstaat tr> t Christus-belijdende Volkskerk." Uitgave van Uitgeverij Boekencentrum N.V. te 's-Gravenhage, 1964. 336 blz., geb. f 18.90.
Een handboek voor de vaderlandse kerkgeschiedenis der laatste eeuwen dat geschreven werd door een bekend geleerde, is een uitgaaf om bij stil te staan. De uitgeefster van deze publikatie ziet hierin, zoals zij op het omslag meedeelt, zelfs hét handboek, en dat wel voor jaren. Of zij hier gelijk in heeft, bezien wij straks. In dit kerkhistorisch overzicht zijn de gegevens saamgevat die Haitjema destijds verzamelde voor zijn kolleges. Jarenlang heeft hij de stof met grote liefde en deskundigheid bijeengegaard, aldus alweer het omslag. Van die beide eigenschappen spreekt het resultaat zeer overtuigend. Dus valt er wat dat betreft veel goeds te zeggen van dit boek!
De schrijver legt er in het „Voorwoord" dadelijk terecht de nadruk op dat deze nieuwere geschiedenis van de Hervormde Kerk in Nederland vanuit een zeer bepaald gezichtspunt werd geschreven, dat de ondertitel onderstreept. Dit is dus inderdaad geen handboek — vele kerkhistorische biezonderheden en personen die men in een handboek aan zou moeten treffen, worden hier niet eens genoemd! — maar meer een schets van de geschiedenis vanuit slechts één gezichtspunt. Het is van belang hierop te wijzen, want de titel zonder de beperking van de ondertitel zou in dit geval misleidend zijn.
Een tweede punt waarop gewezen dient is dat de nieuwere geschiedenis hier een niet al te lange tijd beslaat. De schrijver neemt wel 1651 als beginpunt — toen toch werd in Nederland de kerkstaat van Gereformeerde signatuur publiek geproklameerd — maar toch behandelt hij in eigenlijke zin niet meer dan anderhalve eeuw in plaats van, zoals wij verwachten zouden, tweemaal anderhalve eeuw. Het is hem feitelijk alleen maar om een overzicht van de geschiedenis van de Hervormde Kerk in Nederland gedurende de negentiende eeuw en onze tijd te doen. De tijd van 1651 tot plusminus 1800 wordt slechts uiterst vluchtig in een drietal hoofdstukken geschetst. Pas daarna wordt uitvoeriger bij een en ander stilgestaan, hoewel ook dan nog essayistisch: enkele gegevens dienen voor de uitbeelding van één bepaald aspekt!
Natuurlijk heeft professor Haitjema het volste recht om de geschiedenis van de Hervormde Kerk vanuit maar één gezichtspunt te beschrijven. Bovendien doet hij het boeiend. Maar zijn visie is wel heel verschillend van de onze. Daarom kan hij onze gids niet zijn. Bevindelijke vroomheid vindt bij hem geen enkele waardering, en voor konventikels heeft hij geen goed woord. De Dordtse vaderen zelfs moeten het bij hem ontgelden, want.... de door hen vastgestelde leer spreekt duidelijk van de ervaring des geloofs! En al wat men gewoonlijk onder „Piëtisme" samenvat heeft blijkbaar volgens schrijver met kuituur niets uit te staan. Dat dergelijke wanbegrippen bij een man als Haitjema zijn visie op de kerkgeschiedenis niet mee bepalen zouden, is vanzelf onmogelijk. Wie niet ter zake kundig is, die leze dus dit overzicht — waarvan de lezing door gebruik van termen uit de wijsbegeerte voor verschillende gebruikers nodeloos verzwaard wordt — niet!
Studerenden die op de hoogte zijn van de geschiedenis van de Hervormde Kerk in Nederland gedurende de laatste anderhalve eeuw, zal deze samenvatting echter zeker boeien. Op bepaalde punten is het belangwekkend om te weten wat professor Haitjema daar nu van zegt. Er staan, daar willen wij toch ook wel graag op wijzen, ook heel sympatieke dingen in dit eigenlijk als een persoonlijke verantwoording van een bepaalde visie op 't verleden uitgegeven boek. Juist dit persoonlijke — het feit dat schrijver staat voor wat hij zegt — is iets wat ons biezonder prettig aandoet. Hoogst merkwaardig is dat de schrijver telkens weer zichzelf met grote instemming citeert.
Een enkele onjuistheid moge worden aangestipt als een bewijs dat wij dit boek met zeer veel interesse lazen. Bouwman's proefschrift, in de noot op pagina 275 genoemd, was niet getiteld „Voetius en het gezag der meerdere vergaderingen, " maar „Voetius over het gezag der Synoden." Voorts was het in het hoofdstuk over het Reveil, op bladzij 145, als de schrijver toch verwijzen wilde naar uitvoeriger gegevens over Van der Kemp, wel wenselijk geweest te wijzen op de dissertatie over hem van Moet. Stilistisch zou er nog wel een en ander
op te merken zijn. Het is ons in de laatste jaren telkens opgevallen dat de bijdragen van Haitjema in wetenschappelijke tijdschriften ontsierd zijn door te weinig aandacht voor de stijl. Ook in zijn jongste publikatie trof ons dit. Op bladzij 41 — om maar iets te noemen — staat een zin die helemaal niet afloopt — regel 12 tot 9 onderaan. Een uitdrukking als „er moet sprake komen van" — op bladzij 50, regel 11 — lijkt ons al evenmin verantwoord. Haitjema gebruikt ze echter ook daarna herhaaldelijk!
Tenslotte mag de uitgeefster een woord van lof hier niet onthouden worden: deze studie is biezonder keurig uitgegeven en gebonden bovendien!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1965
Daniel | 15 Pagina's