Zeer geslaagde Bondsdag
Zeer geslaagde Voor de toogdag van onze bond van jeugd-en studieverenigingen, op zaterdag 6 maart j.1. te Utrecht gehouden, bestond een ongekend grote belangstelling. Het kerkgebouw in de Boothstraat kon de bezoekers nauwelijks bevatten. Niemand van hen zal ook maar een ogenblik spijt hebben gehad van zijn of haar tocht naar de Domstad. Deze dag blijft onvergetelijk.
Het was voor de bondsvoorzitter, ds. H. Rijksen een kennelijke vreugde deze vergadering om kwart over tien te openen. Op zijn verzoek werd gezongen Ps. 68 : 13. Na in gebed te zijn voorgegaan, las hij 1 Samuël 17 : 31-41.
In zijn openingswoord zei ds. Rijksen het een groot voorrecht te vinden deze vergadering een welkom te mogen toeroepen, inzonderheid de predikanten, de spreker ds. A. W. Verhoef, ouderlingen en diakenen, zomede de afgevaardigden van de bond van vrouwen-en meisjesverenigingen.
Het verdere van zijn openingsrede ontleende de voorzitter aan het gelezen Schriftgedeelte waarin de welbekende geschiedenis van David en Goliath wordt beschreven.
Temidden van de omstandigheden waarin het volk van Israël leeft, ziet David scherp waar het om gaat. Als de mens de gave heeft van het zien, ziet hij, Bondsdag zoals hier David, ook wat de roeping des Heeren is.
Saul ziet dat niet en Israël ziet het niet, verblind als ze zijn door angst.
In het eikendal staat slagorde tegen slagorde, Israël tegen de Filistijnen. Een schrikwekkende verschijning is de reus Goliath, met zijn drie meter lengte, geheel ompantserd, in de éne hand een ontzettend zwaard en in de andere een vervaarlijke knots.
Als hij dagelijks naar voren treedt, zijn mond Godlasterlijke taal spreekt, hij iedereen uitdaagt met hem de strijd aan te binden, werkt dit verlammend op het volk. En wat doen koning Saul en zijn officieren? Stormen zij er op af? Neen, niemand neemt het tegen deze reus op voor de ere Gods. Allen kruipen weg en schamen zich voor elkaar.
Slechts één is er die ziet waarom het gaat, die de roeping des Heeren verstaat. Een jongeling nog, die even met een boodschap in het leger komt; David. Hij is verontwaardigd om wat hij hoort en ziet.
David denkt niet: laat een ander het maar doen, neen, hij ziet zijn roeping. Hij zegt tegen Koning Saul, te zullen heengaan en te zullen strijden met deze Filistijn.
Jonge mensen, zo vervolgt de voorzitter, mogen de dingen vaak scherp zien.
Maar mijne vrienden, zie je vóór alles je eigen roeping wel?
David heeft geen groot woord over anderen, leest niemand de les, treedt niet op als criticus, maar als iemand die doet, wat moet gebeuren.
Dat is het werk. Wij zijn geneigd critiek te leveren als we iets zien wat niet goed is. Maar we moeten, als David, onze eigen roeping zien. Zelf vragen, wat de Heere van ons wil: „wat wilt Gij dat ik doen zal? "
David raakte in vuur toen het ging om de eer van God, toen de slagorden des levenden Gods — de Kerk — gehoond werden. Of zegt eigen eer ons meer dan de eer des Heeren? Hebben wij die slagorden, de Kerk des Heeren, lief? In Davids tijd waren die slagorden in slaap gezonken, nam niemand het tegen Goliath op.
Ook de kerk van vandaag is vatbaar voor veel critiek, maar niettemin is het de Kerk van de Heere Jezus Christus. Brandt daarvoor de liefde van ons hart? Laten wij aan die Kerk onze liefde geven. David moet het opnemen tegen deze Filistijn. David durft zijn roeping volbrengen. Zien en durven is niet hetzelfde. Wij kunnen onze roeping zien, maar niet durven vermanen.
Waar niemand durfde, durfde David het onmogelijke, omdat hij mag vertrouwen op de Heere. Zelf zegt hij daarvan: „De Heere, Die mij van de hand van de leeuw gered heeft en uit de hand van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn." David had een goede voorbereidingstijd achter zich. Als herder had hij met het wapen leren omgaan, waarmee hij straks Goliath zal vellen, had zijn leven gesteld voor de schapen en was trouw geweest in alles.
Ook wij leven in de voorbereidingstijd van het leven. Doe alles wat je doet, goed en van harte.
Later geeft dat z'n vrucht. En daartoe behoort ook je vereniging. Daar leer je samen de weg zoeken die naar Gods wenverenigingen der Oeref. Ge-Woord meenten. is, waardoor Nadere we bijzonderheden gewapend worden worden tot de vermeld strijd waartoe in volgende we geroepen num-worden. mers van Daniël.
'V David mag dan zeggen, met het oog J op zijn God, die beledigd is: „maar ik kom tot U in de naam des Heeren...." Dan slingert hij de steen, zoals hij het wil, en zoals de Heere het bestuurt. Zo mocht David de strijd met Goliath strijden.
Wat van ons gevraagd wordt is de daad van het eenvoudig gehoorzamen. Trouw te zijn op de plaats waar de Heere ons stelt. Als wij iets van David mogen hebben, zullen we ook onze roeping zien en durven volbrengen, wat alleen kan in de kracht des Heeren.
De Heere zegt: „Mijn zoon, mijn dochter, geef mij uw hart." Dat maakt het leven waard geleefd te worden als wij als David in de dienst des Heeren mogen leven. Ons zelf verloochenen om Christus wil. Laat het ons aller bede zijn: Neem mijn hart, en ik zal het U geven. De Heere zegene de arbeid der verenigingen, om Zijn naam van kind tot kind voort te planten.
Na dit met stille aandacht beluisterde openingswoord, laat ds. Rijksen zingen Ps. 143 : 10.
Het vervolg en slot van het verslag dezer bondsdag zal in het volgende nummer van ons blad worden opgenomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1965
Daniel | 16 Pagina's