Wij moeten niet menen...
Wij, jongeren
Wij moeten niet Waarom dat leed in mijn leven?
Je hoeft heus niet op alle bezwaren en problemen van buitenkerkelijke mensen een pasklaar antwoord te hebben. Zo'n antwoord mag je zelfs niet geven. Sommige Christenen denken, dat ze het geloof en de Bijbel in alles moeten kunnen verdedigen. Maar dat hoeft helemaal niet. Zou de Schepper van hemel en aarde het nodig hebben dat wij Hem verdedigen tegen de mensen? ! Andere
Christenen vinden de waarheid van het Christelijk geloof zo vanzelfsprekend dat ze overal dadelijk een ant-
woord op hebben. Zo ook bij het veel gehoorde bezwaar: „Als God dan liefde is, waarom is er dan al die ellende op de wereld? !" Het antwoord vinden zij heel eenvoudig. Door de zondeval! Maar al is het woordelijk juist — het is een klakkeloos gegeven antwoord. Zo gemakkelijk zeggen we dat zelf ook niet meer, als we heel ernstig ziek worden, of als iemand die je lief is sterft. En vaak hebben ongelovige mensen zelf zoiets ergs meegemaakt. En toen zijn ze opgehouden met bidden omdat ze geen antwoord kregen. En als zo iemand ons vraagt waarom dat dan zo gebeurd is, laten we dan zwijgen. Want we wéten het niet. We weten het echt niet, waarom juist dat nu juist hèm of haar overkomen is. Probeer je maar zijn verdriet en moeite in te denken. Een van buiten geleerd antwoord van ons maakt het Christelijk geloof voor zoiemand nog onaannemelijker! Zelfs de zo godvrezende Job wist niet waarom het hem nu overkwam dat hij al zijn bezittingen en zelfs zijn kinderen moest verliezen en daarna zelf nog een vreselijke ziekte kreeg. Wij kunnen lezen dat daaraan een gesprek tussen de satan en God over Job was vooraf gegaan. Maar wist Job menen daarvan? ! Moet je dan helemaal geen antwoord geven op die vraag naar het waarom? Als de ander merkt dat je zijn moeite echt begrijpt, kun je zeker een gesprek beginnen. Maar, laat dan de vraag naar de óórzaak rusten. Dat is voor ons verborgen. Er is een nog dringender vraag: de vraag naar het dóél! Oorzaak en doel — dat zijn twee dingen. De discipelen wilden ook de oorzaak weten, toen zij aan de Heere Jezus vroegen: waarom is deze man nu blind
geboren? — Dat hééft geen speciale oorzaak, zegt de Heere dan, maar het heeft een speciaal doel. En dat
blijkt wel als de blinde genezen wordt. Op Jezus' vraag zal hij buigen en zeggen: Ik geloof, Heere! Dat was het doel, dat hij daar zou komen.
En zo moeten wij tenslotte ook op de vraag komen: zou dit verdriet en die tegenslag een bedoeling hebben? Wat zou die bedoeling zijn? Zou.... Gód er een bedoeling mee hebben? Zou Hij er soms achter staan? Dat geldt voor die ander, maar ook voor ons eigen verdriet. Zonder dat anderen het weten kun je je heel eenzaam voelen als meisje of jongen. Misschien voel je je door anderen niet begrepen. Misschien ben je ziek. Misschien is de dood in het gezin gekomen. Heb je dan al eens gedacht: zou God voor mij daarmee een bedoeling hebben? liet leed kan de poort zijn waardoor Hij binnen wil komen in ons hart! Hij wil het gebruiken opdat wij naar God leren vluchten.
Waarom het leed in de wereld?
Tot nu toe hebben we het dus gehad over het lijden dat iemand persoonlijk overkomt. Veel mensen geloven niet in God, zeggen ze, omdat er in het algeméén zo veel leed in de wereld is. Nu zijn wij nog jong en wij weten soms al
niets meer van de laatste wereldoorlog af. Hitier is voor ons niet meer dan een naam geworden, al kunnen we in de krant lezen over telkens nieuwe processen tegen zijn gewezen volgelingen, de oorlogsmisdadigers dus. Mogelijk heb je het dagboek van Anne Frank gelezen, dus van dat in Amsterdam ondergedoken Joodse meisje dat in de oorlog omgekomen is. Of je hebt dat indrukwekkende boek (dat je als pocket kunt krijgen) van ds. Overduin gelezen, die in het concentratiekamp van Dachau gezeten heeft. Dan ga je iets zien van de grote wereldellende. Daarom is bij velen de vraag gerezen: waarom heeft God dat toegelaten? Waarom? ! Niemand weet dat, niemand. Wie deze vraag aan God wil stellen, krijgt geen rechtstreeks antwoord. Maar de Heere kijkt ons aan en stelt een wedervraag. Dat deed Hij aan Job — waar was u toen Ik hemel en aarde schiep? ! — en Job boog heel diep voor de Almachtige. En dat doet Hij aan ons. Het is een wedervraag waarin toch de liefde doorklinkt. Ook Hij ziet alle ellende in de wereld. En Hij vraagt: Ik heb de wereld toch zo niet gemaakt? U hebt Mijn paradijs toch zelf tot een hel gemaakt? Ik ben toch niet veranderd?
Ik heb de ménsen toch niet verlaten, — de mensen hebben Mij toch verlaten?
Ook nu kun je denken aan wat boven dit stukje staat: wij moeten niet menen. Wij kunnen gerust wel naast die ander gaan staan, die niet kan geloven: wij weten zelf ook vaak geen antwoord en wij kennen zelf ook die opstandige gedachten. Maar zeg ook: wij moeten niet menen. . . . dat God onze ellénde wil! Hij wil ons behoud. Hij toornt niet tegen de zondaars, maar tegen de zonde. God is liefde!.... — als wij mensen maar naar Zijn stem hoorden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1965
Daniel | 16 Pagina's