Wij moeten niet menen....
Wij, jongeren
Wij moeten niet Niet ongelovig?
Je moet niet denken dat mensen die van de kerk vervreemd zijn, er allemaal zomaar op los leven! Er zijn er ook wel, die maar heel oppervlakkig over het leven nadenken. Maar vooral als het verdriet in iemands leven komt, of tegenslag, als de eenzaamheid komt, of bij het ouder worden, of als ze door ziekte aan de dood gaan denken, dan blijkt dat op de bodem van het hart toch de vra-
gen liggen over God en. de eeuwigheid. Stuur er in een gesprek maar eens op aan, en je zult
het merken. Dan merk je ook, dat de mensen ergens blijven steken. Veel andere mensen willen beslist niet voor ongelovig aangezien worden. „Je moet niet denken dat ik geen gelóóf heb!" Het blijkt dan vaak, dat ze geloven dat er Iemand of Iets is, Die alles bestuurt, Die alles gemaakt heeft. Maar verder komen ze niet. Weer anderen blijven al eerder steken. Zij kunnen maar zo moeilijk geloven, dat er een God is. Als die God dan liefde is, waarom Iaat Hij dan al die ellende in mijn leven toe? En waarom is er dan zoveel narigheid in de wereld? Weer anderen willen wel geloven, zeggen ze, maar ze kunnen niet. Ze staan buiten de kerk en ze zijn nou eenmaal niet als de mensen van de kerk. En dan zijn er nog weer anderen (vooral de laatste tijd komt dat sterker naar voren), die niet weten hoe zij zich God moeten voorstellen. In de hemel? Een Russische ruimtevaarder spotte, dat Hij daar niet was. Maar sommigen zitten er echt mee. Zij kunnen de gedachte dat God in de hemel woont niet rijmen met de bouw van het heelal, met hun wereldbeeld, met de wetenschap.
Tussen twee haakjes menen mensen kennis gemaakt. Daarom zouden we het fijn vinden om hierover een gesprek te krijgen. Misschien zit iemand van jullie wel met het probleem, hoe je die vriend of vriendin, of ook die man of vrouw, zou kunnen helpen. Al mocht je hem (haar) alleen maar de weg een beetje wijzen. Schrijf ons daar eens over. We weten het: het is niet zo makkelijk om je problemen zomaar op papier te zetten en naar twee onbekenden te stu-
ren. Maar wij kennen jullie ook niet. En het spreekt vanzelf, dat we je naam niet noemen. Dat alles maakt het ge-makkelijker om vertrouwelijk te schrijven. Dan kunnen we samen verder over deze vragen praten.
We zijn deze keer over buitenkerkelijke mensen begonnen. Maar het mag over allerlei mensen en groepen gaan. En als iemand ons schrijft willen we daar metéén op ingaan. Mischien kunnen we elkaar zo helpen. Via het adres van de administratie van Daniël (dat kun je vóórin vinden: Ridder v. Catsweg 244a, Gouda) kun je ons schrijven.
De Onbekende
We willen deze keer dus gaan denken over mensen die geen Christen zijn, maar zeggen dat ze toch wel iets geloven. Nu lijkt iemand die gelooft dat er Eén is, die alles bestuurt, al aardig op weg te zijn. Want hij ontkent niet, dat God er is. Alles, ook de ellende in de wereld, wordt bestuurd, gelooft zo iemand. Maar daarmee houdt hun geloof dan ook op. Wat moet je daar nu van denken? En hoe praat je met zulke mensen? Dat is erg moeilijk. Je zou aan een voorbeeld kunnen denken. Je leest wel eens van vondelingen of oorlogskinderen die hun vader en moeder kwijtgeraakt zijn. Als ze groter worden, wil-
len ze weten wie hun ouders zijn! Zouden ze nog leven? Waar zouden ze dan zijn? Ze doen al hun best om hen te zoeken. Al zouden ze maar iets van hen horen! En als je nu in een God gelooft, Die alles gemaakt heeft en alles bestuurt, dus ook óns leven, zou je dan zo ook niet willen weten, Wie Hij is? Hij is niet de onbekende, onpersoonlijke bestuurder van alles. Hij is de levende God. Je kunt Hem ontmoeten. Hij spréékt tot mensen. Hij heeft Zelf gezegd Wie Hij is. En zo komt dan het gesprek op Zijn Woord. Hij heeft eerst gesproken door profeten.
En toen heeft Hij Zijn Eigen Zoon naar de aarde gezonden. Om zondaars zalig te maken. Zó is God. En zo kun je Hem ontmoeten. Als Zijn Woord voor je opengaat.
Je moet eigenlijk iets van Paulus hebben om met deze mensen te praten. Toen hij in Griekenland kwam en de beroemde hoofdstad Athene bezocht, en de trappen opliep van de even beroemde Acropolis met zijn marmeren tempels, staat er dat „zijn geest in hem werd ontstoken", toen hij zag hoe afgodisch de stad was! Maar als hij straks gaat spreken tegen verschillende van die geleerde mannen, is hij vriendelijk en beleefd. Iiij zegt: Mannen van Athene, ik heb bij mijn bezoek aan uw stad gemerkt, hoe godsdienstig u bent! In zijn hart was er vuur geschoten, toen hij zag hoe vreselijk verwrongen ideeën deze mensen hadden van de Almachtige God. Maar hij laat het niet merken. Hij komt hen tegemoet. Paulus ziet het: deze mensen dienen God, hoe dan ook. Maar ze kennen Hem niet. Ze beseffen dat God er is, maar ze stellen zich Hem heel verkeerd voor. En zo is het ook met veel moderne mensen buiten de kerk. Ze zullen niet zo gauw marmeren beelden gaan maken. Maar ook zij stellen zich God voor. ... als een groot méns! En wij? Maar vergis je niet, zegt Paulus met klem. Hij is de God, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Wij komen uit Zijn handen; daarom moeten wij mensen Hem zóéken! En Hij is voor niemand ver weg!
Wij moeten niet menen, zegt Paulus dan, dat.... — en dan wijst hij ze op hun verkeerde gedachten over God. Die vier woordjes moet je eens onthouden: wij moeten niet menen! Dat is dus geen hooghartige veroordeling van de ander.
Het is een dringende raad. U moet uw verkeerde gods-voorstellingen loslaten. Nee, wij, zegt hij, moeten dat doen. Wij moeten niet menen. En met dat zinnetje in je gedachten moet je proberen te spreken met andere mensen. U, die niet naar de kerk gaat, en ik die dat wel doe, wij staan beiden voor dezelfde hoge God. En wij beiden moeten niet menen. . .. En dan kun je wijzen op een andermans dwaling. Zo moeten wij niet menen, dat God alleen maar de wereldbestuurder is. Dat kun je nog geloven zonder dat je een Bijbel in huis hebt. Wij moeten de God in Wie we toch zeggen te geloven, nu ook gaan zoeken. Dat moeten we tegen die ander zeggen. Ieder mens, zegt Paulus, moet zich omkeren. En waarom? Omdat de Zoon van God eens de hele aarde zal oordelen. En dan gaat hij over de Heere Jezus spreken.
Natuurlijk zijn wij Paulus niet. Maar we kunnen van dit voorbeeld veel leren. Ook dit, dat het gesprek vaak afbreekt.
De Atheners haalden hun schouders op. Moeten wij er dan maar niet aan beginnen? „Maar sommigen geloofden"! lezen we dan ineens. Dus toch!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1965
Daniel | 16 Pagina's