Dominees onder het kruis (1)
Inleiding
Inleiding De meesten van ons kunnen het jaartal 1834 wel thuisbrengen. Het is het jaar van de Afscheiding. Inderdaad, maar van veel, wat er na de Afscheiding plaatsvond, weten we minder af. Vreemd is dat eigenlijk, want de jaren na 1834 zijn voor de vorming van het kerkverband, dat we „Gereformeerde Gemeenten" noemen, van het grootste belang
geweest. De Afscheidingsbeweging had van het begin af direkt reeds met grote interne moeilijkheden te kampen. De persoonlijkheden van de „vaders der Afscheiding, " De Cock, Scholte, Brummelkamp, Van Raalte en Van Velzen, waren hier zeker debet aan, maar ook de geestelijke verscheidenheid van hen, die zich aanvankelijk allen „afgescheidenen" noemden. We moeten bepaald niet menen, dat het persoonlijk, maar ook dogmatisch gezien, alles pais en vree was onderling. Integendeel, reeds op de eerste vergadering der Afgescheidenen in 1836 bleken er verschillen te zijn tussen Ds. De Cock en Ds. Scholte. In Scholte's uitingen zien we reeds de kiemen van de latere theologie van Kuyper. Hij hield b.v. de gedoopte kinderen het kruis van gelovige ouders voor wedergeborenen. Hoewel Ds. De Cock ook verbondsmatig dacht, en ten opzichte van de doop der kinderen van een „verbondsheiligheid" sprak, verloor hij de juiste grenzen niet uit het oog, en was bovendien veel meer piëtistisch, bevindelijk ingesteld. De geest van Scholte kreeg echter de overhand, wat o.a. tot gevolg had, dat in 1837 besloten werd de Dordtse Kerkenorde aan een revisie te onderwerpen. Dit was vooral in deze tijd van woelingen en gistingen, een ingrijpende zaak, waardoor het protest van velen, die in het voetspoor der vaderen wilden blijven wandelen, luid klonk.
Afgezien nog van de vraag, of het juist is de D.K.O. te herzien, blijkt uit dit besluit véél menselijke eigenzinnigheid, maar weinig kerkelijke wijsheid; dit geldt vooral voor Ds. Scholte, die koste wat kost de herziening wilde doordrijven. Dan is er nóg een belangrijke kwestie, waardoor de leiders velen van de eenvoudigen in de lande tegen zich in het harnas joegen. De genoemde predikanten, die allen zonder uitzondering een universitaire opleiding hadden genoten, wilden weinig of niets weten van
het optreden van de zogenaamde „oefenaars", Iaat staan, om dezen tot predikant te bevestigen. Dit is natuurlijk een probleem, maar hun scherpe afwijzing in deze betuigt al weer van weinig takt. De geschiedenis van b.v. Cors Noorduyn kan ons dit overtuigend leren.
Vele eenvoudige vromen, die bijzonder gesticht werden door de oefenaars (die meestal in de funktie van lerend ouderling optraden) waren verontwaardigd over deze gang van zaken en verweten de leidende predikanten al spoedig, dat het bij hen „een voet te hoog" zat, n.1. in het hoofd in plaats van in het hart. Tenslotte is de naamgeving der Afgescheidenen een reden geweest, waardoor velen zich van hen hebben afgewend. Tot 1839 hadden de Afgescheidenen altijd op het standpunt gestaan, dat zij de voortzetting van de oude Gereformeerde Kerk in Nederland vormden. De regering had hen daar zwaar voor laten boeten. Toch voelde deze zich steeds onbehaaglijker, door de toenemende kritiek, zowel in binnen-als buitenland én door het geringe juridische gezag, waarmee zij optrad. De regering zocht naar een compromis, waardoor zij de schijn van haar recht tot optreden kon hooghouden. Juist toen, op een tijdstip dat de erkenning van de Afgescheidenen als Gereformeerde Kerk bijna een feit was, vroeg Scholte mét zijn gemeente in Utrecht, om toelating en erkenning als een „christelijk afgescheiden" gemeente. Let wel, hier komt de naam Gereformeerd niet meer in voor. Dit houdt voor Scholte feitelijk een verloochening van zijn eigen optreden in. Hij geeft de regering toe, niet de voorzetting van de Gereformeerde Kerk te zijn! Velen volgen Scholte op dit spoor, na enige aarzeling ook Ds. De Cock en Van Velzen.
Juist die groep van meest eenvoudigen, die tóch reeds wantrouwend stond tegenover de „echte" Afgescheidenen, voelden deze vrijheidsaanvrage terecht als verraad aan. Een breuk was niet meer te voorkomen, mede door de in het begin reeds aangeduide theologische verschillen, die langzamerhand scherper vormen gingen aannemen. Degenen, die zich van de Afgescheidenen afkeerden, noemden zich de Gereformeerde Kerk onder het Kruis. Al spoedig werden zij Kruisgemeenten genoemd. Typische gemeenten zijn dat dikwijls geweest; zij stonden meestal naast het meer officiële kerkelijke leven, maar hadden een geheel eigen stijl. Deze Kruisgemeenten vormen voor een deel de basis, waarop ons kerkverband rust. Daarom willen we verscheidene figuren, die in het kerkelijk leven der kruisgemeenten een rol gespeeld hebben, belichten, om daardoor wat meer inizcht te krijgen, niet alleen in een stuk kerkgeschiedenis, maar ook om onze geestelijke achtergronden beter te Ieren verstaan.
Opdat wij niet vergeten!!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 februari 1965
Daniel | 16 Pagina's