Moderne poezie
Moderne voëzie
4 Om enigszins een indruk te geven van de poëtische voortbrengselen van de laatste tijd, laat ik een gedicht volgen van Jan G. Elburg uit de bundel ..Drietand" (De Bezige Bij, Amsterdam 1960). Het opschrift luidt: Stadgenoot. Het komt ook voor in de bloemlezing van G. Th. Rothuizen, ge-i.
titeld „Klimatologisch" (Kok, Kampen 1961). Hij is het licht vergeten en het gras vergeten en al die kleine levende kevertjes
en de smaak van het water en het waaien hij is de geur vergeten van het hooi de grijze vacht van de schapen de varens de omgelegde aardkluiten
Hier hebben we voorlopig genoeg om over na te denken. In de eerste plaats de vorm:
het gedicht begint met een hoofdletter, maar voor de rest komt er niet één meer; ook geen leestekens. Alleen is er hier en daar een open ruimte gelaten. Wij moeten zelf maar zien, waar een komma of een andere plaats is om even te rusten eer we verder gaan met lezen. Nu is het wel zo, dat we in de eerste strofe geen leestekens nodig hebben. Wel in de tweede. Daar moeten we voor het goede verstaan achter „hooi" even wachten met lezen; ook achter de woorden „schapen" en „varens". Achter „waaien" en achter „aardkluiten" zou een punt moeten staan. Wat het rijm betreft, dat is er nergens. Dat is niet nodig, oor-
deelt men. Wat geeft men om woordklank, om woordmuziek?
En nu de inhoud. Wat er wordt gezegd is alles waar. Een stedeling kent het natuurlijk licht van de zon niet goed meer. In vele gebouwen in de stad moet overdag met kunstlicht worden gewerkt. Ook het gras kent hij niet meer. Als er gras is in de stad, dan zijn het gazons, die niets geen levends meer hebben over gehouden. De wind kan er niet dóórgaan; er zijn geen uitstekende zaadgrassen, maar het is als vroeger de jongenshoofden, die „gemillimeterd" werden. Die jongens hadden ook geen haar meer. Je kon er niet met een kam of met je vingers doorheen. De kleine levende kevertjes kruipen ook niet in dat kale gazon tegen de grasstengels op. Die beestjes zijn er niet meer.
Buiten de stad is dat anders. Daar is het gras kniehoog gegroeid en straks wordt het gemaaid en ruiken we van ver de lekkere geur. Die geur is de stadsmens vergeten; die ruikt hij nooit tussen de hoge flats. Van de grijze vacht van de schapen heeft hij geen notie. Uit een boekje of van horen zeggen weet hij, dat de wol van de schapen komt, maar een schaap mei een clikke wollen vacht, waar zou je die tegen moeten komen in de Kalverstraat? De varens? Misschien staan er wat twijgjes varens in een bloempot voor 't raam, maar echte in 't wild groeiende varens, in de schaduw van de bomen in 't bos, die kent hij niet. De omgelegde aardkluiten? Wat weet een stedeling van het ploegen op de akkers? Als na het binnen halen van de vrucht de ploeg door de aarde snijdt en de ploeger omstuwt is door meeuwen? Dat prachtige landelijke toneeltje, waar moet hij dat vinden?
zijn binnen is geen nest zijn buiten
geen buiten zijn tuin een vaas hij is ook de bliksem vergeten de rauwe
hagel op zijn voorhoofd We zien weer wel, dat achter het woord nest een komma moet, alsook na het tweede woord „buiten" en achter „vaas"' een punt. Verder even wachten bij „vergeten".
Een nest is het veilige plaatsje voor een vogel. Daarin liggen de eitjes verborgen en straks de jongen. Het is heerlijk beschut tussen het diehte gebladerte. Maar het huis van de stedeling ligt blank en bloot voor jan en alleman. De buren kijken het eten van de tafel en de grote oppervlakten glas maken, dat je dwars door de huizen heenziet. Veilig is er niets. Het is geen nest. En buiten? Als er sprake is van een plekje „buiten". Misschien een paar vierkante meters. Maar buiten is daar, waar men de wolken ziet drijven door de ruime hemelen; waar men de buien ziet opkomen en waar we de zon stralend zien opgaan. Zijn tuin is een vaas. Er staan wellicht een paar takjes tegen een muurtje aan of er is een plaatsje tussen de tegels open gelaten voor een klein struikje. Dat is geen tuin, maar een vaas, waarin we enkele bloemen laten verleppen in stinkend water.
Ook de bliksem is de stadgenoot vergeten. De huizen rijzen zo ver omhoog, dat er geen donderbui te zien is. Alleen merkt men dat het donkerder begint te worden en het licht wordt aangeknipt. De grillige bliksem, die door de wolken heenkronkelt, zien de mensen in de stad niet. Ze zijn zo ver van de natuur verwijderd, dat ze ook het vallen van de hagel niet meer kennen. De hagelstenen, die in de stad neerkomen, zijn in hun val al zoveel keren tegen iets aangebotst, dat het schijnt of er wordt gestrooid. Maar buiten slaat de hagel met groot geweld! De hagelstenen komen uit de eerste hand en slaan tegen je gezicht met grote kracht. Kleine kinderen beginnen te huilen.
hij zegt niet: graan meel brood hij ziet de vogels niet weggaan en de sneeuw niet komen
hij zal bang en verongelijkt doodgaan.
In deze strofe zien we het eerste leesteken en ook het laatste. Misschien per ongeluk, want waarom daar wél een dubbele punt?
Wij kunnen alles wat hier genoemd wordt gemakkelijk weergeven. Brood brengt de bakker, maar waar dat brood vandaan komt, wat geeft een stedeling daar om? Hij heeft het graan niet zien groeien, hij heeft de molens niet zien draaien, om het graan tot meel te vermorzelen. Hij denkt er niet bij na. Zo is het ook met de trekvogels. Dat de vogels in groepen al aanstalten maken om de grote tocht te beginnen, wat weet hij er van af? Maar voor de buitenmens is het een teken dat straks de sneeuw zal komen, nu de trekvogels zijn vertrokken.
De laatste regel is rauw, alsof er van een dier wordt gesproken. Verongelijkt staat er bij. De mensen van het land zijn vertrouwd met het beginnend leven en het versterven in de natuur. Zij weten op een dorp wie er ernstig ziek is en ze leven mee
met de stervenden. Zij worden dichter bij de dood gebracht. Zij zien de doden naar de begraafplaats brengen, een eindje buiten het dorp op het kerkhofje. Zij worden veel meer bij de dood stilgezet dan een stadsmens, die alleen weet heeft van het lijden en sterven van een familielid, maar niet eens van het kind drie-hoog of de oude oma uit het andere blok. En nu kan zo iemand zich verongelijkt gevoelen. Hij kan zeggen: ik heb zoveel gemist om ook eens te denken aan sterven.
Als wij nu alles nagaan, dan vragen we ons af; wat 'heeft de dichter nu eigenlijk gezegd? Hij heeft alleen maar feiten opgesomd en heus nog niet op een manier, die ons zoveel heeft te zeggen. Hij had het evengoed in een klein opstelletje kunnen neerschrijven. Wij worden niets gewaar van ritme en rijm, van het wiegende en klinkende spel van de taal.
Of zou Elburg het daarom zó hebben geschreven, omdat hetgeen hij opnoemt zo troosteloos is? Een uitzicht op iets beters merken we nergens. Is dat misschien de tekening van de moderne mens? Dan is hij goed geslaagd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1965
Daniel | 16 Pagina's